‘Basisbudget voor wetenschappers is werkbaar’

‘Basisbudget voor wetenschappers is werkbaar’

11 september 2017

De competitie om onderzoeksbeurzen is moordend en kent vele verliezers. TU/e-onderzoeker Krist Vaesen (Philosphy & Ethics) stelt daarom voor het onderzoeksgeld gelijkmatiger te verdelen. Een soort ‘basisbudget’ voor alle gekwalificeerde wetenschappers moet mogelijk zijn, zo berekent hij met een collega in een artikel dat vrijdagavond verscheen in het online tijdschrift PLOS ONE.

Steeds meer onderzoeksgeld wordt verdeeld in de vorm van grote subsidies, waarvoor maar een klein percentage topwetenschappers in aanmerking komt. Dat maakt het voor het overgrote deel van de onderzoekers steeds lastiger om financiering te vinden voor hun plannen. Bovendien is het maar de vraag of het onderzoeksgeld op deze manier wel optimaal wordt benut. Er zouden aanwijzingen zijn dat het rendement per euro juist hoger is in kleinere projecten. Daarnaast steken wetenschappers nu erg veel (onderzoeks)tijd in het schrijven van onderzoeksvoorstellen waarvan maar een klein deel wordt gehonoreerd.

Een alternatief zou een soort ‘basisbudget’ zijn, waarbij het beschikbare budget evenredig wordt verdeeld over alle gekwalificeerde wetenschappers. Volgens techniekfilosoof Krist Vaesen, als universitair docent verbonden aan de afdeling Philosophy & Ethics van TU/e-faculteit IE&IS, is een van de meest gebruikte argumenten tegen zo’n basissubsidie de angst dat wetenschappers daarmee niet zelfstandig promovendi of postdoc-onderzoekers in dienst kunnen nemen, laat staan apparatuur aanschaffen of conferenties bezoeken.

In een artikel in het tijdschrift PLOS ONE ontkracht hij samen met collega Joel Katzav (University of Queensland, Australië) die stelling. De auteurs rekenen voor dat er voldoende geld is om de huidige wetenschappers gemiddeld hetzelfde aantal promovendi en postdocs te laten aanstellen, terwijl er per persoon nog een - in hun ogen - significant budget voor apparatuur en reizen overblijft.

Niet voor de hand

Die uitkomst is minder voor de hand liggend dan het wellicht lijkt, benadrukt Vaesen. “We hebben namelijk alleen de tweede geldstroom meegenomen. Die blijkt voldoende om ook de promovendi en postdocs te bekostigen die nu door de eerste en derde geldstroom worden gefinancierd.” Met de tweede geldstroom worden de subsidies bedoeld voor specifieke projecten van onder meer NWO en de European Research Council. De eerste geldstroom is de rijksbijdrage voor universiteiten, en de derde geldstroom bestaat voornamelijk uit contractonderzoek voor bedrijfsleven en filantropie. “De vrees van critici was juist dat de huidige budgetten te beperkt zijn om iedereen een deel van de koek te geven zonder de delen van de koek onwerkbaar klein te maken.”

Dat valt volgens Vaesen dus in ieder geval in de onderzochte landen - Nederland, Verenigde Staten, Groot-Brittannië - alleszins mee. Zelfs als je onderscheid maakt tussen de ‘goedkopere’ disciplines (zoals rechten en talen) en de ‘duurdere’ (zoals technische en medische wetenschappen). In de Nederlandse situatie zou een wetenschapper in die duurdere categorie jaarlijks nog zo’n dertigduizend euro overhouden om apparatuur aan te schaffen en conferenties te bezoeken.

Omdat Nederlandse wetenschappers - te weten universitair (hoofd)docenten en hoogleraren - gemiddeld slechts 0,89 promovendi en 0,41 postdocs tot hun beschikking hebben, zou het bij het evenredig verdelen van onderzoeksgeld voor de hand liggen om in kleine teams samen te werken, en zo de basissubsidies te ‘poolen’. In het artikel geven de auteurs het voorbeeld van teams van vijf wetenschappers. “Gewoon een kwestie van vermenigvuldigen”, geeft Vaesen toe. “Maar we hebben dit voor het gemak van de lezer gedaan: nu ziet men meteen dat een klein onderzoeksteam een aanzienlijk budget heeft.”

Zestig procent

Mocht een evenredige verdeling een stap te ver zijn, dan zijn er natuurlijk ook tussenoplossingen mogelijk. Als voorbeeld geven Vaesen en Katzav een systeem waarbij de kans op een subsidie rond de zestig procent ligt (nu is dat vaak niet meer dan tien tot vijftien procent). Dat voorkomt dat het overgrote deel van de voorstellen in de prullenbak verdwijnt. In een dure discipline zou een wetenschapper onder dit regime jaarlijks zo’n tachtigduizend euro te besteden hebben. Overigens zou je - om alles zo efficiënt mogelijk te laten verlopen - de gegadigden ook bijvoorbeeld puur op basis van hun cv kunnen selecteren, zo opperen de auteurs.

638 keer gelezen

Meest gelezen

Deadline voor SSRE, club zoekt tijdelijk onderkomen

Hulpdiensten rukken uit voor drie incidenten op campus

TU/e innovation Space met veel ambitie van start

Ig Nobelprijs: “Katten zijn een soort vloeistof”

CLMN | Op zoek naar de ruimte