Lege collegezalen: "Maak hoger onderwijs aantrekkelijker"

Geen wonder dat studenten wegblijven bij fysieke colleges, zegt vicevoorzitter Joshua de Roos van de Landelijke Studentenvakbond. Het hoger onderwijs moet volgens hem meer ruimte bieden voor “diepgaande discussies en persoonlijke ontwikkeling”.

door
foto Michael Jung / Shutterstock

Het online onderwijs maakte een flinke opmars tijdens de coronapandemie. Nu de collegezalen weer open zijn, blijven opvallend veel studenten nog steeds thuis. Dat heeft weinig te maken met luiheid bij studenten, stelt Joshua de Roos in een opiniestuk in de Volkskrant. Het zegt volgens hem vooral wat over het “passieve en individuele karakter van het hoger onderwijs”.  

Je schrijft dat er in grote hoorcolleges nauwelijks ruimte is voor diepgaande discussies en persoonlijke begeleiding door de docent. Zijn de werkgroepen daar niet juist voor bedoeld? 

“Zeker, en die ruimte is er in werkgroepen ook wel, maar nog te weinig. Tegelijkertijd zie je dat hoorcolleges steeds groter worden. Ik pleit voor méér ruimte in het hoger onderwijs voor interactie in kleinere groepen.” 

Hoe goed worden werkgroepen eigenlijk bezocht na het opheffen van de coronamaatregelen? 

“We horen dat ook werkgroepen best leeg blijven. Ze worden misschien iets beter bezocht dan hoorcolleges, maar wel slechter dan vóór corona. Dat proberen hogescholen en universiteiten te ondervangen met een aanwezigheidsplicht. Volgens mij moeten we ons vooral afvragen waarom studenten wegblijven.” 

Betekent het niet dat studenten ook voor werkgroepen weinig belangstelling hebben, ondanks de ruimte voor interactie en discussie?  

“Ik denk dat ze er wél behoefte aan hebben. Maar door de coronapandemie weten sommige studenten niet goed wat ze missen als ze niet naar fysieke colleges gaan. Ze zijn gewend geraakt om alleen te letten op wat er nodig is om een tentamen te halen. Die informatie kunnen ze meestal wel uit een boek halen. En in werkgroepen wordt vaak alleen maar de stof herhaald, terwijl interessante ethische discussies lang niet altijd worden gevoerd.” 

Is de vakinhoudelijke kennis die in colleges aan bod komt dan niet meer interessant voor studenten? Ze hebben hun studie toch zelf uitgekozen?  

“Studenten kiezen ook weleens voor een opleiding omdat ze daarmee een goede baan kunnen krijgen en dus niet altijd uit persoonlijke interesse. Maar die kennis is zeker belangrijk voor studenten omdat ze die nodig hebben om hun diploma te halen. Ik denk alleen dat het motiverender is als het onderwijs om meer dan die kennisoverdracht gaat. Het zou goed zijn als het vaker wordt gekoppeld aan persoonlijke vorming en dat er meer aandacht komt voor het mentale welzijn van studenten.” 

Docenten hebben het druk. Gaat die aandacht dan niet ten koste van de lesstof? 

“Veel persoonlijke ontwikkeling zit in het verbinden van de lesstof aan je eigen leven, aan wie je bent en aan de wereld waarin je leeft. Dat gaat denk ik hand in hand. Als we de persoonlijke ontwikkeling en interactie meer in onderwijs verwerken, dan wordt het nog leuker en interessanter. Studenten zijn de binding met hun hogeschool en universiteit nu kwijtgeraakt en komen daarom zo weinig naar de campus.” 

Is het geen kip-ei-verhaal: voelen studenten niet meer binding met elkaar en hun docenten als ze komen opdagen bij colleges? 

“Studenten hebben daarin natuurlijk ook een eigen verantwoordelijkheid. Toch denk ik dat er meer animo voor fysieke colleges komt als het onderwijs anders wordt ingericht. Ik zou studenten aanmoedigen om kritisch te zijn op hun lessen en om aan te geven wat ze willen. Het is goed om daar het gesprek over te starten.” 

Deel dit artikel