door

Aarzelende herstart

26/04/2022

Nu het coronatijdperk na zo’n twee jaar achter de rug lijkt te zijn (klop het nu af op hout!), wordt duidelijk dat studenten, docenten en ondersteuners nog tijd nodig hebben om hun draai naar normaal weer te vinden. Studenten twijfelen als het gaat om de vraag: wat volg ik live en wat stream ik? Medewerkers zijn zich weer aan het loswrikken uit hun vertrouwde thuiswerkbubbel.

Wat vroeger zo normaal leek, het dagelijkse contact met je collega’s, je medestudenten of je docenten, is op dit moment nog een voorzichtig zoeken naar de juiste modus. Zo vroeg de universiteitsraad gisteren in hun vergadering of de leden van het College van Bestuur publiekelijk hun visie wilden geven op het huidige aanbod van de verschillende hybride vormen van onderwijs. Dat zou de verwarring bij studenten en docenten moeten wegnemen. Rector Frank Baaijens benadrukte nog maar eens dat de TU/e een on-campus universiteit is. Maar hij zei ook zich te kunnen voorstellen dat voor sommige vakken online onderwijs op dit moment de meest geëigende vorm is. Een werkgroep kijkt ernaar, liet hij weten.   

Van een hoogleraar hoorde ik vorige week een verhaal dat hier wel bij aansluit. Precorona was zijn groep samen met een groep van een andere faculteit gestart met het organiseren van fysieke bijeenkomsten. Daar werden presentaties gegeven over hun onderzoek, met het idee dat dit zou kunnen leiden tot samenwerking. Dat zou makkelijker gaan als je elkaar ook in het echt zou zien, was de achterliggende gedachte. Ook die bijeenkomsten moesten vanwege de pandemie noodgedwongen online. Toen ze onlangs weer fysiek konden plaatsvinden werd besloten ze ook te streamen voor degenen die er om wat voor reden niet bij konden zijn. De hoogleraar was hoogst verbaasd toen hij merkte dat een groepje onderzoekers het online volgde, terwijl ze op pakweg driehonderd meter verderop in het andere faculteitsgebouw zaten. Dat was dus niet de bedoeling, maar door twee jaar online werken kan zo'n vreemde situatie ontstaan.

Ook in de ondersteunende diensten hoor ik dat het soms nog zoeken is naar de balans. Hoeveel dagen werk ik op de campus, hoeveel dagen thuis? De U-raad kaartte gisteren een probleem aan waar die terugkerende medewerkers nu tegenaan lopen: een tekort aan vergaderruimtes. Vele blijken volgens de raad te zijn omgeturnd tot werkplekken voor OGO-projecten en zijn daarmee niet meer te boeken voor een vergadering. Raak je zittend op de campus toch nog verzeild in een Teams-meeting.    

Gelukkig is buiten op de bankjes en de grasvelden de drukte en de levendigheid weer terug. Vooral als het weer meewerkt. Lunchende studenten en medewerkers vinden elkaar weer aan een picknicktafel om het weekend te bespreken, om met elkaar te discussiëren, of om in het zonnetje te werken aan een groepsopdracht. Wetenschappers in de gebouwen kunnen zich straks weer ouderwets ergeren aan de herrie van de buitenfeestjes van verenigingen, die toch net iets te vroeg van start gingen.  

Iedereen zal uiteindelijk zijn of haar draai wel weer vinden, de een wat sneller dan de ander. Maar laten we wel aandacht houden voor de jongste generaties studenten die thuis een overload aan online onderwijs te verwerken hebben gekregen. Han van Krieken, rector aan de Radboud Universiteit, vertelde gisteren op Radio1 dat de studenten die nu in het tweede jaar zitten, nog veel weghebben van scholieren van de middelbare school. Vooral dit cohort heeft vanwege het verplicht thuiszitten de transitie naar het studentenleven grotendeels gemist. Ze wonen nog thuis, hun Intro was verre van ideaal, ze kennen de campus nog maar nauwelijks en dat geldt ook voor hun jaargenoten. Die groep moet je extra in het oog houden, aldus Van Krieken. Een wijs advies, lijkt me. 

Deel dit artikel