Hoogleraar Anthonie Meijers: "Stel belangrijke dingen niet uit"

Prof.dr.ir. Anthonie Meijers (59) is opgeleid als werktuigbouwkundig ingenieur en filosoof en sinds april 2000 hoogleraar Filosofie en Ethiek van de Techniek aan de faculteit Industrial Engineering & Innovation Sciences, waar hij ook vice-decaan is. Hij studeerde in Delft en Utrecht, was in Berkeley assistent van de vermaarde taalfilosoof John Searle en promoveerde in Leiden. Aan de TU/e zet hij zich in voor het in september gestarte Bachelor College, de lange termijn strategie 2020, academische vorming, wetenschappelijke integriteit en Studium Generale.

“Ik ben in Heerlen geboren in een echte ingenieursfamilie. Mijn opa werkte bij de Staatsmijnen en fietste in de avonduren naar Aken om daar een ingenieursopleiding te volgen. Mijn vader vertrok op zijn achttiende met zijn HBS B diploma op zak naar Delft om daar werktuigbouwkunde te studeren. In de oorlog werd hij bij een razzia opgepakt en afgevoerd naar Berlijn om als dwangarbeider in een fabriek te werken. Na de oorlog heeft hij zijn studie afgemaakt. Er werd in de tijd van de wederopbouw morele druk gelegd op hoogopgeleiden om terug te keren naar Limburg. Bij de Staatsmijnen klom mijn vader op tot hoofd van de centrale werkplaats. We woonden in Hoensbroek en daar ging ik ook naar school. Als je geen Limburgs sprak, maakte je geen deel uit van die gesloten gemeenschap. Het was een diepe wens van mijn moeder, die uit Den Haag kwam, om naar het Westen terug te keren. Toen in de jaren zestig de mijnen gesloten werden, verhuisden we naar Overveen, waar mijn vader ging werken voor een baggerfirma. We woonden daar nog geen jaar toen hij in 1969 bij een auto-ongeluk om het leven kwam. Ik was zestien. Het beeld van mijn vader is het beeld dat ik als kind van hem had. Samen een kippenhok timmeren. Dat soort dingen. Ik heb geen kans gehad om hem vanuit het perspectief van een volwassene te leren kennen. Hij had zijn belangstelling voor techniek altijd gekoppeld aan een diepe interesse in filosofie. Na zijn overlijden kreeg ik zijn filosofieboeken. Toen ik later zelf filosofie ging studeren, overkwam het me regelmatig dat ik een nieuw boek kocht, dat ik al thuis op de plank bleek te hebben staan. Wat ik vooral geleerd heb van zijn vroege overlijden is dat je in je leven nooit belangrijke dingen moet uitstellen.

Delft en filosofie

Ik was op de HBS een goede bètaleerling. Techniek vond ik leuk, maar ik had ook belangstelling voor filosofie. In 1970 ging ik naar Delft om werktuigbouwkunde te studeren. Over die keuze voor Delft bestond bij ons thuis geen discussie. Eindhoven vonden ze als stad maar niks en de TH droeg teveel een Philips-stempel. Een echte ingenieur komt uit Delft, dat was het idee. Over Twente werd niet eens gepraat. Werktuigbouwkunde ging me goed af, maar aan bouten en tandwielen had ik een hekel. Na mijn kandidaats kwam ik in een crisis: wil ik hier wel mee verder? Maar ik besloot toch door te zetten en studeerde af in de warme werktuigbouwkunde op het gebied van energievoorziening. Thermodynamica vind ik nog steeds een heel mooi vak. Ik haalde zelfs de prijs voor de beste afstudeerscriptie van de TU Delft. Daarna ging ik in militaire dienst. Het was de tijd van de energiecrisis en ik heb op het ministerie van Defensie gewerkt aan energiebesparing aan boord van schepen. Toen ik uit dienst kwam was ik 26. Uitgaand van de regel ‘niet uitstellen als je iets heel graag wil’ schreef ik me in voor de studie filosofie in Utrecht. Om die studie te kunnen betalen werkte ik onder meer bij de stichting Toekomstbeeld der Techniek. Daar schreef ik een achtergrondstudie voor de brede maatschappelijke discussie over het energiebeleid van de commissie De Brauw. Filosofie vond ik echt een bevrijding. Wetenschapsfilosofie, kennisleer en de geschiedenis van de wijsbegeerte trokken me aan. Ik ben in die twee richtingen afgestudeerd. Een vriend van mij was bezig met een proefschrift over Nietzsche. Ik ging me interesseren voor de taalfilosofie van deze Duitse filosoof. Nietzsche schreef in 1873 een interessante tekst “Über Wahrheit und Lüge in aussermoralischenSinne”. Ik heb me in die tekst verdiept en ook in zijn aantekeningen over retorica. In een voetnoot had Nietzsche een verwijzing opgenomen naar een boek van Gustav Gerber, een vergeten wijsgeer uit het begin van de 19e eeuw. Ik vroeg dat boek op in de UB van Basel en kwam bij het lezen steeds zinnen tegen die ik herkende. Die zinnen ben ik gaan vergelijken en het was onmiskenbaar: uiteindelijk kon ik tachtig procent van de twee teksten van Nietzsche herleiden tot het werk van Gerber. Ik heb er in Dubrovnik een lezing over gehouden voor de gerenommeerde Nietzsche Gesellschaft. Ze vielen bijna van hun stoelen en konden het niet geloven dat de grote Nietzsche werk had overgeschreven van iemand anders.

Berkeley

Na mijn afstuderen kreeg ik een NWO-promotiebeurs. Ik ben in Leiden gepromoveerd bij Herman Philipse. In het kader van mijn promotie-onderzoek mocht ik naar Berkeley en kreeg ik de kans om bij de wereldberoemde filosoof John Searle onderzoek te doen. Hij zocht een teaching assistant en ik werd aangenomen. Hij gaf college en ik deed de werkgroepen. Hij hoefde mij niets te betalen, maar zou me als tegenprestatie begeleiden in mijn onderzoek. Dat was een schitterende deal. Van Searle heb ik filosofie geleerd. Zijn benadering van de filosofie lijkt sterk op een ingenieursbenadering. Zijn hoofdvraag is ‘How does it work?’ Dat sprak me aan. In zijn theorie gaat het om wat woorden en zinnen bewerkstelligen. Vóór hem gold een zin als een representatie van een mentale inhoud die een spreker in zijn hoofd heeft. De taalhandelingstheorie wees op een onderbelicht element van taal, namelijk dat je met zinnen dingen kunt doen. De titel van een van de bekendste boeken op dit gebied is ‘How to do things with words’. Door zinnen kan je de werkelijkheid veranderen. Als een voorzitter zegt ‘de vergadering is gesloten’ dan heeft hij iets veranderd in de werkelijkheid en is die vergadering gesloten.

Economische Zaken

Na mijn promotie vond ik begin jaren negentig een baan bij de afdeling Technologiebeleid van het ministerie van Economische Zaken. Ik was secretaris van de IOP-stuurgroep die innovatieprogramma’s beoordeelde en strategische onderzoeksprogramma’s bij Nederlandse universiteiten financierde. Ik schreef daarnaast ook speeches voor de minister. Aanvankelijk was dat Koos Andriesse, later Hans Wijers. Na drie en een half jaar wilde ik graag terug naar de academische wereld. Ik kreeg een postdocplek in Tilburg, maar al vrij snel werd ik vanwege het KIVI ook benoemd als bijzonder hoogleraar filosofie van techniek en cultuur aan de TU Delft. In mijn oratie ‘Wat maakt een ingenieur?’ heb ik geprobeerd duidelijk te maken wat mij drijft. Ik plaats techniek tussen de two cultures die de Britse publicist C.P. Snow in zijn beroemde essay onderscheidt. Techniek heeft een plek tussen de Bèta en de Alfa/Gamma domeinen. Technische objecten hebben natuurwetenschappelijke en materiële eigenschappen, maar aan de andere kant ook sociale en gebruiksfuncties voor mensen. En die functies horen niet tot het natuurwetenschappelijke domein.

Academische vorming

In maart 2000 ben ik in Eindhoven aangesteld als hoogleraar filosofie en ethiek van de techniek. In mijn intreerede aan de TU/e uit 2011, Scherptediepte, heb ik de verwachting uitgesproken dat er steeds minder plaats zal zijn voor de typisch exclusief technisch geschoolde nerd. Ik geloof heilig in ingenieurs die ook in dat andere domein de weg weten. Ik heb er de afgelopen twaalf jaar hard aan meegeholpen om dat doel te bereiken. Mijn werk voor een goede, bredere ingenieursopleiding komt voort uit een gedrevenheid. Kijk je om je heen, dan zie je hoe groot de invloed van ingenieurs is. Bijna alles is door technici aangeraakt. Maar technische voorwerpen zijn materiële dingen met sociale functies. Ik werd aan de TU/e al vrij snel betrokken bij de oprichting van het platform academische vorming. We hebben het boekje ‘Criteria voor academische bachelor en master curricula’ gemaakt, als gezamenlijk framework voor een adequate academische ingenieursopleiding. Die Criteria zijn binnen en buiten de TU/e een belangrijke bouwsteen geworden. Ze zijn overgenomen door Delft en Twente, later door Nijmegen. Europese universiteiten als de TU Berlin en de universiteit van Leuven werken ook met de Eindhovense criteria. Met de Eindhoven University Lectures die we vanuit het platform academische vorming hebben opgezet, hebben we academische vorming nog meer op de kaart gezet binnen de TU/e.

Onderzoek

Ik ben redacteur van het in 2009 verschenen handboek Philosophy of Technology and Engineering Sciences. Dat handboek is denk ik mijn belangrijkste publicatie op het vakgebied filosofie van de techniek tot nog toe. Ik wil er graag een webversie van maken, zodat de inhoud geupdate kan worden en uitgebreid. Binnen mijn leerstoel heb ik altijd ingezet op academische excellentie. In de vorige filosofievisitatie haalden we vier keer een 5, het hoogste cijfer dat je kunt krijgen. In ons onderzoek analyseren we wat technische artefacten zijn en hoe ze de wereld en onszelf veranderen. We hebben veel succes gehad bij NWO met onderzoeksHoogleraar Anthonie Meijers: "Stel belangrijke dingen niet uit"aanvragen. Op dit moment werken hier meer dan twintig mensen en ik begeleid zes promovendi. Ik wil als leidinggevende graag stimuleren dat iedereen steeds beter wordt. Ik geniet enorm van de slimme mensen in mijn omgeving. De groep is sterk geïnternationaliseerd. We zitten soms met twaalf mensen te lunchen en dan zijn er twee Nederlanders.

Ik vind het ook belangrijk om de band met de algemene filosofie sterk te houden. In een multi-disciplinaire omgeving zoals de TU/e moet je je disciplinaire sterktes goed bewaken. Daarom doen we ook altijd mee met de landelijke filosofie visitatie, terwijl dat strikt genomen niet hoeft. Maar het houdt ons scherp. Ik ben editor in chief van een internationaal filosofisch tijdschrift, Philosophical Explorations. En ik ben ook bestuurlijk actief in Nederland als voorzitter van de landelijke onderzoekschool Wijsbegeerte.

Ik heb de afgelopen twee jaar veel energie en tijd gestoken in de vernieuwing van het bacheloronderwijs en de invulling van de USE component, een term die staat voor User, Society, Enterprise. Vernieuwing is nooit af, want de wereld verandert voortdurend. Eigenlijk ben ik als filosoof bezig om, in de woorden van een bekend negentiende eeuwse wijsgeer, ‘de wereld te begrijpen, maar ook te veranderen’. Dat is misschien wel een rode draad door mijn loopbaan: niet alleen bestuderen, maar er ook iets mee doen.

Werk is belangrijk, maar vriendschap en muziek zijn dat voor mij ook. Ik zing als tenor in het kwintet Quintessenza, samen met mijn partner Elise en drie goede vrienden. Monteverdi is onze grote held, maar tegenwoordig zingen we ook moderne muziek die speciaal voor ons gecomponeerd is. Daarnaast heb ik een sterke behoefte om af en toe met mijn handen te werken. Ik maak meubels. Zo heb ik de Steltmanstoel van Rietveld nagebouwd, een eiken hoekstoel. Voor mijn werk en ook privé geldt: doe de dingen die je belangrijk vindt en stel ze niet uit. Het leven kan onvoorspelbaar eindig zijn.”

Deel dit artikel via je socials