CursorOnTour@SSC | Het sportcentrum als tweede thuis

Fit worden, fit blíjven, leren zwemmen, jezelf voorbereiden op een aankomende wedstrijd, trainen met je team, persoonlijke doelen of records halen, even je hoofd leeg maken. Iedereen heeft zijn eigen redenen om in het Studentensportcentrum te komen sporten. Maar voor sommigen is het SSC méér dan alleen een sportieve faciliteit; voor hen is het haast een tweede huiskamer.


“Dit voelt als een tweede familie”

Arash Roomi Zadeh is 30 jaar en promovendus binnen de groep Signal Processing Systems van de faculteit Electrical Engineering. Hij is sinds vier jaar in Eindhoven, waar hij eerst zijn PDEng aan de TU/e deed. Hiervoor behaalde hij zijn master in de Italiaanse stad Turijn, waar hij als 22-jarige neerstreek.

“Ik heb mijn bachelor gedaan in Iran, had daar ook werk, maar mijn ouders zeiden: ‘Waarom ga je niet wat reizen, iets van de wereld zien? En dan kom je daarna terug’.” Tot dusver denkt Arash echter nog niet aan terugkeren, het leven in Nederland bevalt hem goed. “Als je reist, zie je vaak alleen maar de toeristische hoogtepunten. Dat verandert niets aan hoe je denkt en naar de wereld en anderen kijkt. Door in een ander land te léven, kom je erachter dat het dagelijks leven misschien heel anders is dan je van thuis gewend bent, maar dat mensen op een bepaald level allemaal gelijk zijn, veelal dezelfde normen en waarden hebben, in dezelfde dingen geloven.”

Het leven over de grens heeft hem veranderd, zegt hij. Lachend: “Al komt dat misschien ook gewoon doordat ik ouder ben geworden”.

Uit je comfort zone

Reizen en in het buitenland wonen trekken je op een positieve manier uit je comfortzone, vindt de Iraniër. En natuurlijk mist hij zijn familie (“die band is in Iran heel sterk”), maar daar kreeg hij een thuis-ver-van-huis voor terug in de vorm van het Studentensportcentrum. Arash, in Iran vooral fanatiek klimmer en taekwondo-beoefenaar, is er bijna alle dagen van de week wel te vinden en heeft er allerlei sporten uitgeprobeerd.

Inmiddels heeft hij zijn hart vooral verpand aan de yoga, dat hij in eerste instantie ging doen om wat flexibeler te worden voor taekwondo. Hij klikt het meest met sporten die iets doen voor zowel lichaam als geest, vertelt hij, en op de yogamat was het raak. Inmiddels heeft hij zelf ook zelf een aantal lessen poweryoga gegeven.

Maar het Studentensportcentrum betekent voor Arash zoveel méér dan alleen sporten. “Anderen gaan op vrijdagavond de stad in voor een drankje - dat doe ik ook wel eens hoor, maar ik voel me gelukkiger als ik híer ben. Het voelt hier als soort tweede familie, mensen zijn ontzettend vriendelijk, betrokken en behulpzaam.” Ook komt hij wel eens bij The Hub for Expats in de Eindhovense binnenstad (waar hij tevens een eigen appartement heeft), “maar daar is het toch iets meer ‘buitenlanders onder elkaar’. Hier is de populatie gemengder en kun je ook met Nederlanders optrekken”.

Perzisch versus Nederlands

En dat maakt dat hij ook zijn Nederlands iets vlotter kan opvijzelen; een belangrijk streven voor Arash, “daarmee verbreed je toch weer je horizon”. Weetje: het Perzisch is ver verwant aan het Nederlands. “Het Nederlandse ‘dochter’ bijvoorbeeld is in gesproken Perzisch ‘dokhtar’”, illustreert de promovendus.

Of het tijdens de gesprekken met nationals en internationals in de sportcentrumkantine ook over persoonlijke onderwerpen gaat? Arash lacht. “Mijn persoonlijke bubble is groot, ik praat met iedereen en over alles. Ik wil niet generaliseren, maar Nederlanders zijn daar soms wat terughoudender in.”

“Hier bezig zijn, tussen de jonge mensen, is mijn leven”

Henk Janssen is 79 jaar, ging in 2001 met pensioen, maar is nog altijd zo’n vijftien uur per week in touw voor het Studentensportcentrum. Ome Henk, zoals vooral eerdere generaties studenten hem kennen, hoort nagenoeg bij het meubilair.

Even is er wat verwarring over de afgesproken tijd voor het interview, maar Henk is binnen tien minuten alsnog ter plaatse. De geboren en getogen Woenselnaar woont op steenworp afstand van ‘zijn’ Studentensportcentrum, waar hij eind jaren zeventig solliciteerde. Daarvoor werkte hij in de bewaking aan de universiteit, “maar mijn leven hangt van het sporten aan elkaar. Dus toen hier iets vrij kwam, wist ik het wel”.

Van zaal- en grasvoetbal tot badminton en zwemmen - Henk is altijd sportief geweest. Zijn leeftijd en gezondheid staan nu niet meer alles toe, maar hij is nog altijd te porren voor een stevige wandeling of fietstocht: “Een beetje de conditie op peil houden”. Én voor uiteenlopende hand- en spandiensten bij het sportcentrum - van het wassen van de drie bussen en het halen van wisselgeld tot het bijvullen van de automaten en bijspringen achter de bar of portiersloge. Gemiddeld is hij drie dagen per week op de campus aan het werk.

‘Wie A zegt, moet ook B zeggen’ had hij bij zijn pensioen in 2001 nog kordaat geroepen. Maar in geval van nood mochten ze hem altijd bellen. Die ‘nood’ kwam - en ging, gelukkig voor Henk, nooit meer helemaal weg. “Ik ben geen mens om stil te zitten of thuis te blijven.” Dit ondanks dat er medisch gezien inmiddels best ook een beetje wordt gekwakkeld, “maar zolang mijn gezondheid het toelaat, blijf ik hier. Want hier bezig zijn, tussen de jonge mensen, dat is mijn leven.”

Zijn favoriete plek was altijd de kantine, waar hij de nodige uren achter de bar doorbracht. Want studenten houden wel van een feestje, maar ome Henk óók. “Er werd vaak flink gezongen, met de clubliederen tegen elkaar op.” Van Ome Henk mocht bijna alles, “als er maar werd opgeruimd. Naar mij luisterden ze vaak ook eerder dan naar anderen. Dan zei ik: ‘Zeg, daar staan twintig lege glazen. Breng die eerst maar eens terug, dan krijg je pas weer bier’”.  

Honderden haringen

Hij herinnert zich het vroegere haringhappen met volleybalvereniging Hajraa, “dan werden hier op de woensdag na carnaval honderden haringen met uitjes binnengedragen. Dát was me een rotzooi”. En het oliebollentoernooi van dezelfde vereniging op 2 januari, met “zevenhonderd, soms achthonderd oliebollen. En dan ál die bussen poeder… alsof er een dikke mist hing hier. Maar na afloop ging dertig man in de weer met handveger, blik en een emmer sop, en was het binnen een uur weer schoon”.

Toch zijn Henks sterkste herinneringen aan het sportcentrum niet alleen maar vrolijk. Als de dag van gisteren (maar “zeker vijfentwintig jaar geleden”) kan hij zich een potje zaalvoetbal tussen de middag heugen, waarbij een 22-jarige speler niet lekker werd, even ging zitten, vijf minuten later weer ging voetballen en op het veld in elkaar zakte. “Er is meteen opgetreden, mensen hebben gereanimeerd, maar in de ziekenauto is hij alsnog overleden. Dat vergeet ik nooit meer.”

Een fijnere herinnering - zij het met emotionele lading - is de beklimming van de Alpe d’Huez met een groep collega’s in 2012, onder meer ter nagedachtenis aan medewerker Dennis Schonenburg die een paar maanden daarvoor aan kanker was overleden. Henk ging mee als een van de teamcoaches. “Met vijftien man zijn we toen een weekje weggeweest. Prachtig.”

Van de huidige generatie sportkaarthouders kent Henk naar eigen zeggen trouwens bijna niemand meer. Het ledenbestand is hem wat boven het hoofd gegroeid, en Engels leren om ook met de vele internationals een praatje te kunnen maken, “dat doe ik op mijn leeftijd niet meer”. Maar het Studentensportcentrum ligt hem nog altijd onverminderd na aan het hart. “Het is echt een ontmoetingsplek, druk op een fijne manier, gezellig. Er is hier nooit rottigheid.”


“Na weer een dag achter de laptop móet ik gewoon bewegen”

Matej Grobelnik (24) is masterstudent Data Science, geboren en getogen in Slovenië en woont in Luna op het TU/e-terrein. Zijn Italiaanse faculteits- én leeftijdsgenoot Robin Esposito doet de master Web Science en woont in Aurora. De twee zijn zeker vijf dagen per week te vinden in het Studentensportcentrum.

Meer vrijheid, onafhankelijkheid, een nieuwe omgeving. De Italiaanse Robin wilde na zijn bachelor in elk geval graag weg van huis. “Ook was ik benieuwd naar andere manieren van onderwijs. In Italië is de focus op mijn vakgebied vooral theoretisch, heel wiskundig; de lessen zijn heel individueel en niet erg praktisch. Hier heb je veel meer projecten, met duidelijke deadlines - veel realistischer als je het vergelijkt met de praktijk van het werk.”

Matej (die Nederland vooral als “goed georganiseerd, super-efficiënt en heel schoon” omschrijft) leerde hij twee jaar geleden via-via kennen tijdens de Intro voor masters. Er was trouwens niet direct een klik, maar de tijd deed zijn werk - net als de verbindende kracht van het samen sporten én die van sportinstructeur Lara Hofstra. “Zij knoopte een praatje met ons aan, tegen mij eerst in het Nederlands omdat ze dacht dat ik een Nederlander was”, vertelt Matej lachend. Robin: “Niet lang daarna zijn we samen volleyballessen gaan organiseren voor internationals, ter voorbereiding op het Hajraa Buitentoernooi.”

De twee volgen uiteenlopende groepslessen in het sportcentrum: bodypump, cardio core, core. Robin: “Ik doe ook regelmatig yoga, soms hiphop, squash, volleybal. Ja, ik breng hier best wat tijd door. Je kunt hier voor weinig geld elke denkbare sport doen en dingen uitproberen zonder dat je je vooraf ergens voor moet inschrijven”.

Misgrijpen op de gewichten

Vergelijkbare laagdrempelige en voor studenten goed betaalbare sportfaciliteiten hadden ze back home in Slovenië en Italië in elk geval niet, zeggen de twee. Ze zijn dan ook erg te spreken over de Eindhovense voorzieningen, “al klaagt Lara regelmatig dat de boel hier uit elkaar valt”, zegt Matej lachend. Hij moet toegeven: “Bijvoorbeeld de douches in de kleedkamers kunnen inderdaad wel een opknapbeurt gebruiken. En vooral ’s zomers is het soms heel warm.” En drúk, dat is het ook regelmatig, vult Robin aan: “Voor de bodypump-lessen moeten we twintig minuten van tevoren aanwezig zijn, omdat we anders misschien misgrijpen op de gewichten”.

“Ik vind eigenlijk dat je elke dag moet sporten”, zegt Matej. “Zeker bij opleidingen als de onze zit je toch veel achter je laptop; na een dag móet ik gewoon bewegen, mijn appartement uit, iets dóen.” Robin: “We wonen ook allebei op de campus, dus het sportcentrum is lekker dichtbij.” Niet dat hij er overigens echt élke dag te vinden is: “Zondag is mijn rustdag. Ik moet het mezelf gewoon toestaan om één dag per week niks te doen”.

Ontsnappen

De twee blijven na het sporten regelmatig nog wat hangen met vrienden. “Veel van hen zijn op dit moment ook druk met hun masterscriptie; dan is het lekker om elkaar hier te ontmoeten en even te ontsnappen aan die hectiek”, vindt Matej. Het zijn wel overwegend andere internationals met wie ze omgaan, zeggen ze, “dat contact is meestal toch net wat makkelijker gelegd. Als international ben je ver van huis, vaak alleen; zo word je eigenlijk gedwongen om mensen te leren kennen, voor anderen open te staan. Nederlanders zijn net wat lastiger om te leren kennen; dat is toch de iets noordelijkere mentaliteit, mensen zijn hier iets geslotener”.

Sportinstructrice Lara is overigens een nadrukkelijke uitzondering daarop, benadrukken de twee. Matej: “Zij is heel open, helpt je op alle mogelijke manieren. Ik kan ook ontzettend met haar lachen en ze is gewoon ontzettend enthousiast.”

Dat is ze naar verluidt óók over Robins bakkunsten, die niets met het Studentensportcentrum te maken hebben, maar volgens Lara zeker even vermeld moeten worden in dit stuk. De Italiaan bakt alle weken (lachend: “Hoe meer taarten ik bak, hoe makkelijker ik anderen ervan kan overtuigen om te gaan sporten om de calorieën er weer af te trainen”) en waagde zich zelfs eens aan een traditionele Limburgse kersenvlaai. “Nederlanders hebben hem goedgekeurd”, vertelt Robin lachend.

“Als ik geen zin heb, kom ik hier ook”

Of ze bij het sportcentrum-meubilair hoort? “Lara - Hofstra, red. - vindt van wel.” Fontys-studente Jasmijn Dagevos lacht. “Maar ik denk dat er genoeg mensen zijn die hier nog meer zijn dan ik.” Gemiddeld vier dagen in de week komt ze in het SSC om te sporten, sinds kort loopt ze er bovendien twee dagen per week stage.

Ze lacht licht - en vooral onterecht - beschaamd wanneer Cursor naar haar leeftijd (23) vraagt. “Veel vriendinnen zijn al afgestudeerd, sommigen zijn zelfs al bezig met kinderen.” Jasmijn zit echter, na wat bescheiden educatieve omzwervingen, nog middenin haar studie Toegepaste Psychologie bij Fontys in Eindhoven, die ze aanvult met een pre-mastertraject in Tilburg.

Ze heeft altijd veel gesport - idioot veel zelfs, daarover zo meer. “Maar eigenlijk deed ik altijd maar wat.” Totdat ze een paar jaar terug, aangestoken door het enthousiasme van een vriendin, voor het eerst het Studentensportcentrum binnenstapte.

Ze begon met zumba en yoga, maar al snel ging ze ook doelgerichter aan de slag met personal trainer Daan Guldemond. Want Jasmijn had anorexia. “Ik ben altijd al heel erg bezig geweest met mijn lichaam en hoe ik eruit zag. Toen ik hier kwam, was ik daar ook al voor in behandeling - maar die kwam vaak toch een beetje neer op ‘eet pizza, eet friet, doe maar lekker wat je wilt’. Dat was voor mij een brug te ver.”

Duidelijke afspraken werden gemaakt, duidelijke doelen gesteld. Met de focus op: aankomen, fitter worden, stérker worden. “Ik had me geen betere trainer kunnen wensen dan hij”, zegt Jasmijn. Zonder Daan had ze naar eigen zeggen ook nooit een voet in het krachthonk durven zetten. “Doodeng vond ik dat. Ik snapte er niks van, was natuurlijk heel tenger, en dan heb je ook nog die brede mannen die je onbewust staan aan te staren… Ik ging echt niet in mijn eentje.”

Op de weegschaal

Gesteund voelde ze zich ook tijdens weegmomenten, met het resultaat van de weegschaal steevast buiten haar blikveld. “Best een beetje beschamend, vond ik, maar Daan gaf me echt vertrouwen. De nadruk lag echt op: hoeveel kun je tillen, hoeveel herhalingen kun je doen? Ik had altijd een beetje het beeld van de personal trainer als een soort beul voor wie het nooit genoeg is, maar Daan was vooral altijd heel positief.”

Inmiddels zit haar behandeling erop, evenals haar trainingen met Daan. Of ze béter is? “Ik denk dat je als anorexiapatiënt nooit helemaal ‘beter’ bent, je blijft er waarschijnlijk toch altijd over nadenken. Maar ik vóel me wel beter. Voorheen kon ik tijdens zes weken zomervakantie helemaal niks. Nu heb ik net zó’n leuke vakantie achter de rug; ik ben overal geweest, heb zoveel gedaan.”

Tegenwoordig traint ze vooral regelmatig met sportcentruminstructrice Lara Hofstra, “gewoon voor de lol, dingen doen die ik leuk vind. We gaan vaak naar buiten, lichaamsgewichtoefeningen doen, poweryoga, of sprintjes trekken op de trappen van de TU/e”. Lara is niet alleen haar sportbuddy, maar tevens de begeleider van haar net gestarte stage. Samen met haar wil Jasmijn onder meer een vorm van training of voorlichting ontwikkelen voor SSC-trainers en -instructeurs over hoe om te gaan met sporters met een eetstoornis of bijvoorbeeld een heel gericht dieet. “Ze zijn van goede wil, maar weten vaak niet goed wat ze daarmee aan moeten.”

Ook wil Jasmijn een soort sportbuddy-programma opzetten dat het makkelijker maakt voor mensen om samen te gaan sporten: “Voor iedereen die nog net een duwtje nodig heeft of mensen die niet alleen willen of durven”. Mensen moeten zich bovenal op hun gemak voelen in het sportcentrum, vindt de psychologiestudente - ook in het fitnesshonk waar ze zelf aanvankelijk met zoveel schroom binnenstapte. “Met zijn tweeën is dat al een stuk minder eng. En ik wil vooral niet dat vrouwen zich druk maken om de mannen daar.”

Broodje zalm via Facetime

Zelf heeft ze dat duwtje richting het SSC zelden nog nodig. Vooral als ze eens goed chagrijnig is, helpt het sporten met Lara haar daarbovenop. “Als ik geen zin heb, kom ik hier ook. Ik denk dat iedereen die hier sport, met een beter gevoel weggaat dan dat hij of zij gekomen is. En dat veel mensen hier ook wel een soort ‘thuisgevoel’ hebben.” Al mist ze haar andere vaste sportmaatje Esmee, net vertrokken voor een half jaar stage in het buitenland, wel enorm. Lachend: “Ons vaste broodje zalm op het sportcentrum doen we nu via Facetime.”

Deel dit artikel via je socials