Nijmeegse klimaatexpert stapt over naar TU/e

Klimaatwetenschapper Heleen de Coninck, nu nog verbonden aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, was een van de hoofdauteurs van het in 2018 verschenen IPCC-rapport over de impact van de globale temperatuurstijging. Als hoogleraar gaat ze op 1 april aan de TU/e van start bij de groep Technology, Innovation & Society (TIS). Ze blijft één dag in de week werkzaam aan de Radboud Universiteit.

door
foto Dick van Aalst | Radboud Universiteit

Hoogleraar Floor Alkemade, toekomstig collega van De Coninck (43) bij de groep Technology, Innovation & Society (TIS), zegt “superblij” te zijn met de komst van de vooraanstaande Nijmeegse klimaatwetenschapper. Volgens Alkemade komt De Coninck op een plek terecht waar ze al haar kennis over klimaatproblematiek en de oplossingen daarvoor een extra impuls kan geven. “Hier hebben we zeer veel kennis in huis over innovatie en transitieprocessen, net datgene wat De Coninck nu enigszins zegt te missen aan de Radboud Universiteit.”

Bij TIS krijgt De Coninck vanaf 1 april direct een promovendus onder haar hoede, “waarmee ze de nieuwe onderzoekslijn die ze gaat opzetten, een vliegende start kan geven”, aldus Alkemade. “Ze gaat onderzoeken hoe al die technische innovaties die erop gericht zijn om de klimaatverandering af te stoppen, zo snel en efficiënt mogelijk ingevoerd kunnen worden - zowel in huiselijke kring als in het bedrijfsleven. De sociaal-maatschappelijke kennis die bij TIS volop aanwezig is, gaat haar daarbij enorm helpen.”

IPCC-rapport

Aan de Radboud Universiteit is De Coninck op dit moment een van de meest in het oog springende onderzoekers. Ze was een van de hoofdauteurs van het veelbesproken IPCC-rapport, waarin geconcludeerd werd dat er binnen twintig jaar drastische maatregelen genomen moeten worden om onder de anderhalve graad temperatuurstijging te blijven. Vorig jaar maart sprak ze tienduizenden mensen toe tijdens de klimaatmars in Amsterdam en liet ze zich vaak horen in het maatschappelijke debat over klimaatverandering. Drie weken geleden kreeg ze van de Radboud Universiteit voor dat alles nog de Hermesdorfprijs.

Ook De Coninck benoemt de voordelen van haar overstap naar Eindhoven. "Ik kom daar terecht op een grote afdeling die zich bezighoudt met innovatie- en transitiestudies. De onderzoekers zijn bijvoorbeeld gericht op internationale technologieoverdracht naar ontwikkelingslanden. Dat is precies mijn vakgebied. Ik heb geprobeerd zoiets op te zetten in Nijmegen, maar dat is niet gelukt - mijn collega’s zitten meer op andere vakgebieden. Ik was op dat gebied een beetje alleen en kreeg het niet voor elkaar zelf de diepgang te vinden die ik zoek. Ik ben blijkbaar iemand die sparring partners nodig heeft. Maar het is me veel waard dat ik één dag in Nijmegen kan blijven. Ik heb geweldige collega’s en sta volkomen achter de nieuwe strategie van de Radboud Universiteit. De duurzaamheid natuurlijk, maar ook de multidisciplinariteit. Het zou heel stom voelen om nu weg te gaan."

Horizon 2020

Wat blijft ze doen in Nijmegen? "Ik blijf betrokken bij het onderzoek dat daar gebeurt. We hebben onlangs geld binnengehaald via het Europese Horizon 2020-programma, waarmee we met drie promovendi onderzoek gaan doen naar maatschappelijke aspecten van CO2-opvang en -opslag in een staalfabriek. Daar zijn drie universitair docenten van twee faculteiten bij betrokken, dus dat project neem ik niet mee naar Eindhoven. Daarnaast blijf ik mijn huidige promovendi begeleiden."

Naast dat onderzoek blijft ze voorlopig ook nog co-director van het Radboud Centre for Sustainability Challenges, dat het onderzoek en onderwijs naar duurzaamheid aan de universiteit wil versterken. En ze wil samenhang creëren: "De mensen die hiermee bezig zijn, moeten elkaar leren kennen. Daar ben ik toch zes jaar mee bezig geweest, om dat helpen op te zetten."

Voor haar werkzaamheden voor het IPCC voorziet ze geen veranderingen. "Ik werk mee als auteur aan het grote nieuwe rapport, in het hoofdstuk over technologieoverdracht naar ontwikkelingslanden. Op dat gebied hebben ze in Eindhoven dus veel kennis. Ook is men aan de TU/e enthousiast over mijn werk voor IPCC. Ze geven me daar ook tijd voor - zo krijg ik een iets lagere onderwijslast. Gemiddeld geef ik één praatje per week over het vorige rapport en ik sta vaak de media te woord. Ook daar krijg ik tijd voor. Ik hoop dat het daarom allemaal wat makkelijker wordt."

Hectisch

De afgelopen zeven jaar aan de Radboud Universiteit omschrijft ze als hectisch. "Ik begon er als een soort opleidingscoördinator en het onderzoek moest daarnaast gebeuren. In de aanloop naar de goedkeuring van het IPCC-rapport in 2018 heb ik geen weekend vrij gehad. De universiteit vindt het natuurlijk mooi, die zichtbaarheid, maar het vroeg veel van mijn gezin. En van collega’s, die taken moesten opvangen die ik liet liggen. Promovendi en studenten kregen geen feedback, of moesten er lang op wachten. Maar die dingen reken ik ook mezelf aan: soms had ik mijn tijd beter moeten managen. Het zit in de aard van het beestje om te vaak ‘ja’ te zeggen."

Speelde het nog een rol dat ze aan de TU/e aan de slag gaat als hoogleraar? "Daar ging het niet om, maar ik had niet gesolliciteerd als het weer een UHD-positie was geweest. Ik ben er wel klaar voor. Ik ben zo ongeveer de enige IPCC-hoofdauteur die geen hoogleraar was. Ik heb er tot nu toe geen last van gehad, hoor, maar mensen zeggen dat het deuren opent. En je mag je eigen promovendi begeleiden - dat is ook een voordeel."

Irène Curie Fellowship

De Coninck is volgens Floor Alkemade niet aangenomen in het kader van het Irène Curie Fellowship-programma, waar de TU/e in juli 2019 mee startte en waarbij vrouwelijke wetenschappers in eerste instantie voorrang krijgen bij het invullen van vacatures. "Maar ze neemt er wel deel aan", vertelt Alkemade. "De vacature stond al open voor 1 juli vorig jaar en was daarmee in gelijke mate beschikbaar voor mannen en vrouwen. Het Fellowship is zeker aantrekkelijk, door een financieel opstartbudget van een ton, de mogelijkheid om een eigen onderzoekslijn op te zetten en deelname aan een speciaal mentoringprogramma.”

Deel dit artikel via je socials