Gaan universiteiten en hogescholen straks zelf keuren?

Lees meer

Gaan universiteiten en hogescholen straks zelf keuren?

Opleidingen accrediteren? Laat dat maar aan onszelf over, zeggen vooral de universiteiten. Ze krijgen steun uit onverwachte hoek: voorzitter Anne Flierman van kwaliteitsbewaker NVAO ziet er wel iets in. Er is ook weerstand. Studentenorganisaties ISO en LSVb zijn tegen. Alex Tess Rutten, voorzitter van de LSVb, noemt het een gevaarlijke ontwikkeling. “Het wordt dan ontzettend belangrijk om goedkeuring te krijgen: het is alles of niets. Waarom zouden bestuurders dan open en eerlijk zijn als het ergens misgaat?"

  • foto Shutterstock

Elke zes jaar haalt de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie de opleidingen in het hoger onderwijs door de mangel, ook die van de TU/e. Een commissie van onafhankelijke deskundigen komt kijken hoe het staat met de kwaliteit, de faciliteiten, het niveau en meer. Het roept weleens weerstand op. Het is een heel gedoe, vinden critici, en moeten die commissies echt op alle slakken zout leggen? Schenk liever vertrouwen. Keur in één keer de hele instelling goed, dan zorgen ze daar zelf wel dat de boel op orde blijft.

De universiteiten voeren al jaren een lobby voor zo’n ‘instellingsaccreditatie’ en minister Ingrid van Engelshoven is er ook niet op tegen. Het zou best kunnen dat het ervan gaat komen. Ook NVAO-voorzitter Anne Flierman ziet mogelijkheden, maar waarschuwt ook voor overspannen verwachtingen. 

Het is verleidelijk om te denken dat zo’n systeem tot minder werkdruk zal leiden, zegt Flierman, maar dat is volgens hem een illusie. “Instellingen blijven verplicht om hun opleidingen periodiek door externe deskundigen te laten beoordelen. Daar zijn Europese afspraken over gemaakt. Je kunt het aan de NVAO overlaten of je kunt het zelf regelen, maar het moet toch gebeuren.”

Niet lichtvaardig goedkeuren

Om de werkdruk te bestrijden hoeft het systeem volgens de NVAO-voorzitter niet drastisch te veranderen. Flierman: “Het enige wat echt helpt, is tussentijds de dossiers op orde houden. Als je in maart belastingaangifte moet doen en dan pas de schoenendoos met bonnetjes gaat uitzoeken, kost het veel meer werk dan als je het elke maand bijhoudt. Zo is het ook met kwaliteitszorg.”

Sterker nog, misschien gaat een instellingsaccreditatie méér tijd kosten. Flierman: “Je kunt niet lichtvaardig hele onderwijsinstellingen goedkeuren. We willen uiteindelijk drie dingen weten: wat is het beleid, loopt het eigen toezicht goed en wat zien we dan concreet bij opleidingen? Daarvoor heb je nog altijd visitatierapporten nodig, die laten zien hoe er wordt gemonitord en welke verbeteringen er zijn doorgevoerd.”

Daar bovenop zal de NVAO steekproeven blijven doen, verwacht hij. “Stel dat een instelling 75 opleidingen heeft. Dan wil je er toch een paar onder de loep nemen: wat hebben jullie hier nou precies gedaan? Misschien wil je alle opleidingen bekijken die tot een erkende beroepstitel leiden, zoals geneeskunde. Snel groeiende of sterk veranderende opleidingen wil je ook meer aandacht geven, enzovoorts.”

Accreditatie: hoe zit het nu?

Opleidingen in het hoger onderwijs worden eens in de zes jaar op allerlei aspecten gekeurd, zoals eindniveau en faciliteiten. Een commissie van deskundigen komt daartoe langs. De NVAO neemt uiteindelijk het besluit. Is er iets mis? Dan krijgt de opleiding vrijwel altijd de kans om orde op zaken te stellen binnen een of twee jaar.

Universiteiten en hogescholen kunnen ook meedoen aan de ‘instellingstoets kwaliteitszorg’ (ITK). Dan kijkt de NVAO of de randvoorwaarden binnen de hele onderwijsinstelling op orde zijn: is het beleid goed, speelt kwaliteit een rol in het dagelijks werk? Als instellingen deze ITK hebben behaald, dan krijgen hun afzonderlijke opleidingen een lichtere keuring. Dit wordt vaak verward met ‘instellingsaccreditatie’, maar het is iets anders.

En de kwaliteitsafspraken? Om aanspraak te maken op de miljoenen uit het nieuwe leenstelsel, moeten universiteiten en hogescholen kwaliteitsafspraken maken met hun medezeggenschap over de besteding. De NVAO checkt of dit allemaal goed verloopt en of de afspraken zinnig zijn.

In Vlaanderen bestaat instellingsaccreditatie al onder de naam instellingsreview. Nieuwe opleidingen worden nog altijd apart gekeurd; bij de start en na zes jaar. Dan vallen ze onder het kwaliteitszorgsysteem van de instelling, dat elke zes jaar wordt beoordeeld. Het voordeel is dat de universiteiten en hogescholen meer eigen regie krijgen van de overheid, vindt Flierman. “De beoordeling van opleidingen is meer maatwerk, want ieder mag voor zich bepalen hoe je het aanpakt. Tot vermindering van de lastendruk heeft het niet geleid.” Wel wordt de ervaren last minder, voegt hij eraan toe.

Al met al kan de instellingskeuring zeker stimulerend werken, denkt Flierman. “Onderwijsinstellingen en hun bestuurders zullen extra hun best doen, want stel je voor dat ze er niet doorheen komen! Het is belangrijk voor hun reputatie. Als nu een enkele keer een opleiding wordt afgekeurd of een ‘herstelperiode’ in moet, dan denkt men: dat kan gebeuren. Het is veel pijnlijker als wij straks moeten zeggen: jullie letten in het algemeen niet goed op de kwaliteit.”

Onderwijsinstellingen en hun bestuurders zullen extra hun best doen, want stel je voor dat ze er niet doorheen komen!

Anne Flierman
Voorzitter NVAO

Kunnen onderwijsinstellingen de verantwoordelijkheid wel aan? Als een soort voorloper van echte instellingsaccreditatie kunnen de instellingen nu al de ‘instellingstoets kwaliteitszorg’ (ITK) aanvragen. Dat is een algemene keuring op het niveau van de hele instelling: is het toezicht goed, durven medewerkers elkaar aan te spreken op de kwaliteit van het onderwijs? Als hogescholen en universiteiten daar doorheen komen, dan krijgen hun afzonderlijke opleidingen in de jaren erna een lichtere beoordeling.

Pijnlijk genoeg kwam één op de drie instellingen in de eerste ronde (2011-2014) niet in één keer door die ITK heen. Overigens sleepte de TU/e in mei 2014 wel direct een positief eindoordeel in de wacht. Bij enkele instellingen die er ook doorheen waren gekomen, werden later sommige van hun opleidingen toch afgekeurd. Zo goed was hun kwaliteitszorg dus nog niet. Baart dat geen zorgen?

Flierman vindt het meevallen. “Ze hebben er veel van geleerd”, zegt hij. “Het was een nieuwe toets en sommige instellingen moesten eraan wennen. Het gaat nu ook beter. Het lijkt erop dat hooguit één op de tien instellingen deze toets niet in één keer haalt.”

Basisbeursmiljoenen

Een andere ‘vingeroefening’ voor instellingsaccreditatie zijn de kwaliteitsafspraken over de besteding van de basisbeursmiljoenen. Universiteiten en hogescholen maken plannen hoe ze met het extra geld hun onderwijs gaan verbeteren. In oktober en november van 2019 kreeg de TU/e tweemaal een NVAO-commissie op bezoek voor een Instellingstoets Kwaliteitszorg, waarbij ook nadrukkelijk gekeken werd naar de afspraken over het besteden van die basisbeursgelden. Commissievoorzitter Ramses Wessel oordeelde na het laatste bezoek in brede zin zeer positief over de Eindhovense universiteit. De plannen voor het inzetten van het extra onderwijsgeld vond hij "goed aansluiten bij de bestaande visie" en "concreet en realiseerbaar". Half maart wordt het definitieve besluit verwacht. Maar de NVAO heeft ook veel  plannen afgekeurd. Moet je dan zeggen: toe maar, ga zelf je kwaliteit bewaken?

“Wij waren ook enigszins verrast”, erkent Flierman. “Veel instellingen doen het goed, maar bij een aantal viel het tegen. Je kunt eruit afleiden dat ze nog niet allemaal toe zijn aan instellingsaccreditatie. Ze moeten hun zaak echt goed op orde hebben.” Maar hij wil wel laten uitzoeken hoe het komt dat zoveel instellingen er niet doorheen kwamen. “Daartoe laten we ook onze eigen rol onderzoeken.”

Los hiervan hoor je vaak de klacht dat onderwijs aan de universiteiten een ondergeschoven kindje is. Het heeft geen prioriteit: je kunt er nauwelijks carrière mee maken. Moet je dan de kat op het spek binden en zeggen: u mag voortaan zelf de kwaliteit ervan bewaken?

Of neem de rechtenopleidingen, die in 2012 met de hakken over de sloot door de keuring kwamen. Als de NVAO daar minder zicht op krijgt, hoe moet het dan verder met die opleidingen?

Terechte zorgen

Allemaal terechte zorgen, vindt Flierman. “En ik geloof ook niet dat alle universiteiten een-twee-drie een instellingsaccreditatie zouden krijgen. Maar pas op, als die instellingen zelf volledig verantwoordelijk worden voor hun opleidingen, dan stoppen ze meer effort in het bewaken van de kwaliteit, verwacht ik. Ik moet ook zeggen dat er in de vorige ronde meer twijfelgevallen waren dan nu: het gaat aantoonbaar beter met de rechtenopleidingen. Dat zie je ook bij de geesteswetenschappen, waar deze keer echt niet zoveel opleidingen een onvoldoende zullen krijgen als zes jaar geleden. Dat zit hem in reële kwaliteitsverbetering. Deze week melden we in ons jaarbericht dat inmiddels zo’n 95 procent van alle opleidingen zonder problemen een positieve beoordeling krijgt.”

Wat is dan een goed argument om toch voor instellingsaccreditatie te kiezen, ondanks alle twijfels? Flierman: “De erkenning van bestuurlijke verantwoordelijkheid. Je kunt het probleem niet meer op een ander afschuiven. Dat helpt.” En je kunt in één moeite door ook de kwaliteitsbewaking van het onderzoek daarin meenemen, merkt hij fijntjes op. “Misschien kun je in de universitaire visitaties ook de promotietrajecten meenemen. Dat ligt erg voor de hand.”

Weer een nieuw systeem

Bestuurders vinden zoiets misschien een uitdaging, maar onderzoekers en docenten zullen het met lede ogen aanzien. Wéér een nieuw systeem. Kun je niet beter voor stabiliteit kiezen, zodat iedereen weet waar hij aan toe is? “Continuïteit heeft ook een grote waarde”, bevestigt Flierman. “Misschien moet je juist even helemaal niets veranderen. Maar dit soort systemen verliest altijd zijn scherpte na twee of drie rondes, want dan kent iedereen het kunstje. Je kunt haast niet anders dan af en toe iets aanpassen.”

“We kunnen dus best discussiëren over de voor- en nadelen van instellingsaccreditatie. Trouwens, misschien hebben we straks geen keus, omdat het onderwijs zelf gaat veranderen. Hoe keuren wij de kwaliteit als er flexibel onderwijs komt en het begrip ‘opleiding’ gaat verwateren?”

Vertrouwen is prima, maar de keerzijde is dat je ook sneller moet kunnen ingrijpen als dat vertrouwen misplaatst blijkt

Anne Flierman
Voorzitter NVAO

In de huidige discussie over instellingsaccreditatie lijkt het erop “dat we een nieuwe verdieping gaan bouwen op een bestaand huis”, vindt Flierman. “Het is interessant om de vraag te stellen hoe we ons stelsel zouden bouwen als we helemaal opnieuw moesten beginnen. Bij de NVAO doen we zo’n oefening, alleen al omdat we dat als professionals de moeite waard vinden.”

Is hij al met al voorstander van instellingsaccreditatie? “Ja, maar je moet het wel goed doordenken en niet zomaar iets roepen. Stel dat een universiteit of hogeschool is goedgekeurd en een paar jaar later blijkt er sprake van wanbestuur of grote problemen. Dan moet de ‘brandweer’ kunnen uitrukken. Vertrouwen is prima. De keerzijde is dat je ook sneller moet kunnen ingrijpen als dat vertrouwen misplaatst blijkt.”

Eigenaarschap

In de gezondheidszorg kan de inspectie op heel korte termijn ingrijpende maatregelen nemen als het misgaat in een ziekenhuis. “Misschien moet zoiets in het hoger onderwijs ook kunnen. Nu duurt het soms een paar jaar voordat de minister echt kan handelen.”

En o ja, wat volgens Flierman geen goed argument is voor instellingsaccreditatie is het versterken van ‘eigenaarschap’, zoals je soms hoort. “Dat is een modeterm. Van wie is de opleiding eigenlijk? Van docenten, studenten of de samenleving? Dat al heel lastig. Ik spreek liever van verantwoordelijkheid dan van eigenaarschap.”

Hoe denkt het hoger onderwijs erover?

De universiteiten krijgen het nog moeilijk om hun tegenstanders te overtuigen van instellingsaccreditatie. Vooral de studenten hebben grote bezwaren.

Studenten

Studentenorganisaties ISO en LSVb zijn allebei tegen de komst van instellingsaccreditatie. Alex Tess Rutten van de Landelijke Studentenvakbond noemt het een gevaarlijke ontwikkeling. “Het wordt dan ontzettend belangrijk om goedkeuring te krijgen: het is alles of niets. Waarom zouden bestuurders dan open en eerlijk zijn als het ergens misgaat? Straks wordt er aan een universiteit of hogeschool een enorme poppenkast opgetuigd om door de keuring te komen, die weinig meer met de gang van zaken bij de opleidingen zelf te maken heeft.”

Kees Gillesse van het Interstedelijk Studenten Overleg valt haar bij. “Het idee was ooit het verlagen van de werkdruk voor docenten”, zegt Gillesse. “Maar dat gaan we er kennelijk niet mee bereiken. Dan blijven alleen de flexibilisering van het onderwijs en het ‘eigenaarschap’ als argumenten over. Daarvoor heb je geen instellingsaccreditatie nodig, denken wij. Er valt nog genoeg te verbeteren aan de accreditatie zoals die nu is.”

WOinActie

Protestbeweging WOinActie strijdt tegen de hoge werkdruk aan de universiteiten en eist van de overheid ruim een miljard euro erbij om de druk te verlichten. De deelnemers dreigen met allerlei acties, zoals stoppen met nakijken en niet meer meedoen aan accreditaties.

Oprichter Rens Bod hekelt het wantrouwen dat uit de accreditaties spreekt. “Het afgelopen half jaar heb ik het zelf weer meegemaakt. Het maakt mensen nerveus. Ze worden speciaal getraind voor het bezoek van de visitatiecommissie en ze moeten allerlei protocollen volgen. Dat is toch raar? Je zou denken: de visitatie is vriendschappelijk, je krijgt wat suggesties om het onderwijs nog beter te maken. Maar het gaat vaak om details, en kleine foutjes kunnen zomaar tot herstelprogramma’s leiden.”

Hij zou het bureaucratische circus graag verminderen, zegt hij. “Het is iets Nederlands. In Duitsland en Frankrijk zijn de keuringen veel lichter van aard. Natuurlijk is het goed om bijvoorbeeld de toetsing te professionaliseren, daar niet van. Maar nu krijgen mensen het gevoel dat ze door hoepeltjes moeten springen. Dat kan niet de bedoeling zijn.”

Toch zal zijn actiegroep geen lans breken voor instellingsaccreditatie. “Daar wordt het niet per se beter van. Bovendien trekken we graag samen op met de studentenorganisaties en zij zijn tegen.”

VSNU

De universiteiten zijn al jaren verliefd op het idee van instellingsaccreditatie. Want het huidige stelsel “werkt onvoldoende stimulerend, de lasten worden als hoog ervaren en het biedt onvoldoende ruimte voor nieuwe ontwikkelingen”, staat in een notitie van april vorig jaar.

Instellingsaccreditatie biedt meer flexibiliteit, is een van de argumenten, en geeft bovendien “meer ruimte om verbeteren en verantwoorden te scheiden”. Met andere woorden, je kunt een open gesprek voeren over verbeteringen van het onderwijs zonder bang te zijn dat je meteen wordt afgekeurd.

Dit alles vergroot het ‘eigenaarschap’ en de ‘stimulerende werking’, menen de universiteiten, en dat zou ook de ‘ervaren werkdruk’ verminderen. En dat is iets anders dan dat het minder uren kost.

Hogescholen

Van de meeste hogescholen hoeft het niet zo nodig. De keuring van afzonderlijke opleidingen biedt legitimatie, vindt bijvoorbeeld voorzitter Ron Bormans van de Hogeschool Rotterdam. “Neem een opleiding als autotechniek. Het is fijn als een onafhankelijke, door de overheid ingestelde club ernaar kijkt en bevestigt dat hij goed is. En dan moeten de deskundigen niet zozeer de procedures bekijken, maar juist de inhoud en didactiek.” 

Ook Paul Rüpp van Avans Hogeschool hecht aan de accreditaties per opleiding. Van hem mag er wel iets veranderen aan de gang van zaken. “Nu beginnen opleidingen soms al twee jaar van tevoren zenuwachtig te worden. Met man en macht produceren ze allemaal documenten en als de accreditatie voorbij is verdwijnen die in een la en kijkt niemand er meer naar. Ik heb liever dat de NVAO belt en zegt: we komen over twee weken langs. Wij zouden elke dag accreditatie-waardig moeten zijn.”

Deel dit artikel via je socials