‘Financiering voor toponderzoek schiet door’

De afgelopen twintig jaar gingen er steeds meer beurzen naar toponderzoekers. Daardoor lijken andere wetenschappers in de knel te komen, waarschuwt het Rathenau Instituut in een nieuw rapport.

Sinds de jaren negentig geeft de Nederlandse overheid een steeds groter deel van het onderzoeksbudget aan de beste wetenschappers. Die kunnen, in competitie met elkaar, op allerlei manieren extra geld in de wacht slepen voor hun onderzoek. Bijvoorbeeld via de Veni- Vidi en Vici-beurzen van onderzoeksfinancier NWO en de grants van de Europese Onderzoeksraad.

Vooral het aantal Europese beurzen is de laatste tien jaar flink toegenomen (zie grafiek). In 2016 groeide het totale budget voor individuele onderzoeksubsidies tot boven de 350 miljoen euro. Ter vergelijking: in 2006 was dit nog 150 miljoen euro.

Groeiende competitie

In het gisteren verschenen rapport ‘Beleid voor excellente wetenschap’ constateert het Rathenau Instituut dat de competitie tussen wetenschappers steeds groter wordt. Maar liefst veertig procent van alle publieke onderzoeksinkomsten van universiteiten en universitair medische centra is inmiddels in competitie is verworven via de EU en NWO.

Dat beleid heeft zeker zijn vruchten afgeworpen: internationale visitatiecommissies beoordelen grote delen van de Nederlandse wetenschap als ‘zeer goed’ of excellent’. Bovendien worden Nederlandse wetenschappers in vergelijking met andere landen vaker geciteerd.

Aanvraagdruk

Maar er is ook een keerzijde, zegt directeur Melanie Peters van het Rathenau Instituut. “De aanvraagdruk bij wetenschappers neemt flink toe. Veel mensen willen zo’n excellentiebeurs hebben: daarmee kun je eigen onderzoek starten en bovendien staat het goed op je cv. Maar als je geen beurs in de wacht sleept, betekent dat niet dat je geen goede wetenschapper bent.”

Ze pleit ervoor dat universiteiten ook hun andere doelstellingen van het wetenschapsbeleid in het oog houden, zoals het verzorgen van goed onderwijs. En dat is volgens Peters nog steeds een ondergeschoven kindje. De universiteit mag het onderwijs best wat hoger in het vaandel dragen en ervoor zorgen dat wetenschappers ook carrière kunnen maken als ze veel lesgeven.

Meer rust

Moet er niet weer wat geld terug van de tweede naar de eerste geldstroom? Peters: “Dat is inderdaad de discussie: is de vaste bekostiging van universiteiten nog wel toereikend? Als je die verhoogt, dan kunnen universiteiten er voor kiezen mensen voor langere tijd in dienst te nemen zodat er wat meer rust in het onderzoeksveld komt. Je zou als instelling dan kunnen zeggen, ik wil graag expertise opbouwen over een specifiek onderwerp en zorg er daarom voor dat ik de goede mensen in huis heb die bovendien kunnen doorgroeien.”

Uit het rapport blijkt verder dat het steeds vaker voorkomt dat één persoon meerdere subsidies weet binnen te slepen: negen procent van het totale aantal beurzen wordt toegekend aan iemand die er al eerder één of zelfs meerdere ontving. Dat gebeurt vooral bij de Vidibeurs voor meer ervaren wetenschappers en de ERC Starting Grant voor jonge onderzoekers.

Raar is dat niet, betoogt Peters. “Je hebt jezelf als onderzoeker immers al een keer bewezen. Bovendien, hoe langer de subsidies bestaan, hoe groter de kans dat iemand er nog één krijgt. En als het goede onderzoekers zijn, waarom zou je die niet nog eens belonen?” Zolang andere onderzoekers de hoop maar niet opgeven, waarschuwt Peters.

Maar het Rathenau-rapport bevat ook goed nieuws: weliswaar hebben wetenschappers met een onderzoeksbeurs meer kans om carrière te maken, maar een absolute voorwaarde voor een vaste aanstelling is het niet: minstens twee derde van de nieuw aangestelde universitair (hoofd)docenten heeft geen topbeurs ontvangen.

Deel dit artikel