Vragenbank | “Niet alles is voorbestemd; je hebt zelf ook nog wat in te brengen”

Een gesprek met hoogleraar Kitty Nijmeijer (47) verloopt zoals ze zelf is: open, eerlijk, spontaan en in uitersten. “Ik ben meestal heel vrolijk, maar als ik boos ben, ben ik ook heel erg boos.” Vijf vragen met een lach en een traan.

Drie jaar geleden verruilde hoogleraar Kitty Nijmeijer de Universiteit Twente voor de TU/e om hoofd te worden van de onderzoeksgroep Membrane Materials and Processes. In die drie jaar is ze helemaal thuis aan onze universiteit.

Inmiddels is ze ook herenigd met haar man, na drie jaar een weekendrelatie te hebben gehad tussen Oldenzaal en Eindhoven. Ze hebben een huis gekocht in Nuenen, waar ze eind van dit jaar in kunnen. “Ik vind het fijn om ergens bij te horen, je buren te kennen; dat lukt in een dorp vaak beter.”

Kitty trekt vijf vragen, maar wisselt er eentje om, na een enorm lachsalvo na het lezen van de vraag ‘Kun je makkelijk poepen op een openbaar toilet?’. “Dat vind ik geen interviewwaardige vraag.”

Gebeurt alles met een reden?

Ze lacht. “Oh nee, daar geloof ik niet in”, is haar eerste stellige reactie. “Al zou ik soms wel graag willen dat dat zo is. Volgens mij gebeurt niet alles met een reden, soms gebeuren dingen gewoon. Ik geloof wel dat je de loop van dingen kunt beïnvloeden, door van tevoren na te denken over wat er zou kunnen gebeuren.”

Zo vraagt ze vaak aan promovendi wat ze willen na hun PhD-traject, bijvoorbeeld waar ze zouden willen werken. “Dan is er best een kans dat ik door een bedrijf benaderd word met de vraag of ik nog iemand weet voor een baan. Dat soort praktische dingen heb je indirect wel in de hand.”

“Als je het op een hoger plan tilt, denk ik niet dat je invloed hebt op alles wat er gebeurt. Mijn moeder is driekwart jaar geleden overleden en dan ga je nadenken over het waarom, en hoop je dat er een reden voor is. Dat ze ergens vanaf een wolkje stiekem op ons neerkijkt. Maar ik denk dat dat niet zo is.”

Wat is in gesprekken jouw gevoelige snaar?

“Ik ben heel betrokken, maar daardoor trek ik mij dingen ook meer aan. Soms is het handiger als je wat meer afstand kunt nemen. Ik ben wel eens jaloers op collega’s die dat goed kunnen. Ik blijf met dingen rondlopen, al lig ik er nooit wakker van.

Als me onrecht aangedaan wordt, als ik niet serieus genomen word, of als mensen geen commitment tonen, dan kan ik boos worden, heel boos. Ik ben een persoon van extremen. Meestal ben ik heel vrolijk, maar als je me boos krijgt, kan ik heel boos worden.

Ik heb ook mijn onzekerheden en kwetsbaarheden. De wetenschappelijke wereld is heel competitief, zeker als het om geld binnenhalen gaat. Ik vind het moeilijk als ik afgewezen word. Het geeft me het gevoel dat ik niet goed genoeg ben.” Ze twijfelt even en zegt: “Ik weet niet zeker of je dit moet opschrijven, het maakt me kwetsbaar…” Om er meteen op terug te komen: “Het is heel moeilijk om dit toe te geven, maar ik vind het belangrijk om te laten zien dat ik daar ook mee worstel. Het kan anderen helpen, dus laat het maar staan.”

Waarin schuilt vrijheid voor jou?

“Vrijheid is geen vanzelfsprekendheid, het is iets waar we heel zuinig op moeten zijn, het is heel kostbaar. Om die reden ben ik een aantal jaar ceremoniemeester geweest voor de 4- en 5 mei-viering in Oldenzaal. Vrijheid schuilt voor mij vooral in respect hebben voor elkaar en elkaar de ruimte geven. Ik vind niet dat je alles maar moet kunnen zeggen of doen, omdat dat in de grondwet staat. Je kunt best zaken kritisch benoemen, maar doe dat altijd met respect. Realiseer je dat die ander precies hetzelfde is als jij. Die wil ook dat zijn kinderen naar school kunnen en wil ’s avonds ook gewoon bij zijn gezin zijn. We verschillen niet zoveel van elkaar aan het eind van de dag. Er wordt vaak gezeurd, maar we hebben het ontzettend goed hier!”

Wat is je sterkste jeugdherinnering?

“Ik ben opgegroeid in Elsloo in Limburg. Ik heb een zusje dat drie jaar jonger is. We woonden achteraf en als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik ons huis, een grote tuin, kinderen die op hun blote voeten buiten rondrennen, plezier hebben. Als het warm weer was, sliepen we met het hele gezin buiten in de openlucht. Ik heb een heel fijne jeugd gehad.”

De rolverdeling binnen het gezin Nijmeijer was niet traditioneel. “Mijn vader was thuis bij ons. Mijn moeder werkte fulltime vanaf het moment dat mijn zusje een jaar oud was. Ze was directiesecretaresse. Later is mijn vader rechten gaan studeren en is hij advocaat geworden. Mijn moeder volgde zijn voorbeeld en is ook rechten gaan studeren. Dat heeft me geleerd dat alles mogelijk is en brengt me weer terug bij de eerste vraag die ik trok: niet alles is voorbestemd, je hebt zelf nog wat in te brengen.”

“Rond mijn twintigste jaar scheidden mijn ouders. Ze hebben heel lang geprobeerd bij elkaar te blijven en er waren regelmatig spanningen. Toch heb ik daar niet heel erg onder geleden. Nu zie ik dat mijn ouders eigenlijk ook helemaal niet bij elkaar pasten.”

Ben je bang voor de dood?

“Een jaar geleden zou ik zonder twijfel ‘ja’ hebben geantwoord op deze vraag. Totdat mijn moeder ziek werd en stierf. Toen bleek dat ze longkanker had. Haar lichaam maakte antistoffen aan tegen de longkanker én tegen haar eigen gezonde cellen en dat sloeg over naar haar hersenen. Daardoor raakte ze volledig in de war, kraamde totale onzin uit, of lag apathisch in bed. Tussen het moment dat we hoorden dat ze kanker had en dat ze overleed, zat maar twee weken.

Mijn moeder had geen klachten, ze wist niet dat ze ziek was, daar ben ik van overtuigd. Toen ze opgenomen werd in het ziekenhuis, kon er niets meer aan gedaan worden.

Ze was nog één dag helder in het ziekenhuis. En ik dacht: ‘Het enige wat ik nu moet doen, is bij haar gaan liggen'. Dat heb ik gedaan, en voor mijn gevoel heeft ze het leven toen losgelaten. Dat was achteraf ons afscheid. Ik ben blij voor haar dat het niet langer heeft geduurd, dit was genoeg. Ik was van tevoren heel bang om bij haar overlijden te zijn, maar het was zo vanzelfsprekend. Er was geen twijfel dat ik erbij was, het moest zo zijn. Ik ben zelf nog wel bang voor de dood, maar deze ervaring was heel bijzonder, in positieve zin. Toen ze ging, voelde het heel intiem en dichtbij.”

Nabeschouwend: “De vragen grepen erg op elkaar in.” Als we lukraak vijf andere vragen uit de stapel trekken, komen er veel lichtvoetigere vragen uit. “Die had ik helemaal niet zo leuk gevonden om te beantwoorden.” Het tekent Kitty: openhartig tot het pijn doet, maar altijd eindigend met een volle lach.

Deel dit artikel via je socials