door

Promotie blues

09/01/2020

Ik ben aangekomen bij het laatste deel van mijn master: het afstuderen. Na vijf jaar begint het erom te spannen - wat ga ik in vredesnaam hierna doen? Mijn eerste antwoord is volmondig “promoveren”, maar ik word tegengehouden door een schijnbaar ondoordringbare wolk aan negativiteit rondom promotieonderzoek. Het ergste van alles is dat de meeste negativiteit misschien wel afkomstig is van de promovendi zelf. En dat is een slecht teken.

Het begint met de typische, hardnekkige vooroordelen: vier jaar aan mondjesmaat betaald krijgen gekoppeld met een hoge werkdruk in ruil voor een sneetje nieuwe hyperspecifieke vakkennis. Maar dat zijn wellicht niet de grootste problemen (vermoedelijk gaat niemand een PhD doen voor het geld of de luie uurtjes op kantoor). Ik bespeur bij de promovendi met wie ik een kantoor deel in Nijmegen een enorme onzekerheid en “promotie blues”.

Die onzekerheid gaat over de toekomst. Wat gaan ze aan het eind van hun vier jaar doen? Gaan ze het wel halen? Wil je een promovendus in de stress laten schieten, stel hem dan twee simpele vragen: “Hoe lang heb je eigenlijk nog?” en “Goh, op hoeveel artikelen zit je nu?” Het is alsof je ze bewust maakt van een rollend rotsblok dat achter hen aan dendert. Er bestaat nu eenmaal de reële kans dat je het werk niet in de nominale vier jaar afkrijgt en dat je ofwel a) zonder loon en interend op spaargeld het geheel afmaakt, b) een baan zoekt en het in de late uurtjes ná werk afmaakt of c) houdoe zegt en het geheel laat vallen, zonder bul.

De blues gaat, vooral bij de mensen die al bijna klaar zijn, over “was ik maar sneller”, “vier jaar gaat best snel voorbij” of “kreeg ik maar een vaste positie hierna”. Wat dat laatste betreft, valt er nog veel te zeggen over de academische wereld en de doorstroom van PhD’er naar tenure. Een postdoc heeft me ooit het academische systeem beschreven als een pyramide-scheme, waar iedereen jaloers en hoopvol omhoog kijkt naar het volgende, nog krappere plateau. De professoren zitten ondertussen knus bovenaan, zonder aansporing om de leerstoel op te geven. Dit zou je zomaar kunnen afschrikken om überhaupt  aan een PhD te beginnen. 

Het is wel duidelijk dat de promovendi die ik spreek hun werk en onderzoek over het algemeen leuk vinden. Het is haast een huwelijk: met pieken en dalen, soms zon, soms regen, af en toe een plensbui als je een bug vindt die zes maanden aan onderzoek om zeep helpt. Dit alles lijkt voor mij reden genoeg om een PhD te gaan doen.

Deel dit artikel via je socials