
Opleidingsdirecteuren TU/e weerspreken kritiek numerus fixus
De drie numerus-fixusopleidingen van de TU/e stonden recent ineens vol in de aandacht. Aanleiding was een column die hoogleraar Boudewijn van Dongen voor Cursor schreef over regionale studenten die niet direct werden toegelaten bij de selectie. De opleidingsdirecteuren, die de ophef met lede ogen aanzagen, leggen uit hoe zij tegen de situatie aankijken en waarom de numerus fixus nodig is.
Kamervragen en berichtgeving in het nationale nieuws: de column van Boudewijn van Dongen over studenten die niet direct toegelaten werden tot numerus-fixusopleidingen maakte veel los. ‘Helaas. Allemaal afgewezen’, schreef hij over klasgenoten van zijn zoon, die op de wachtlijst waren geplaatst bij de selectieprocedure voor bacheloropleidingen met een numerus fixus aan de TU/e, terwijl veel internationale studenten wél direct door de selectie heen waren gekomen.
De woorden van de hoogleraar zorgden voor frustratie bij de opleidingsdirecteuren van de opleidingen, omdat er een verkeerd beeld zou ontstaan over de kansen van kandidaten die niet meteen een aanbod krijgen. Veel van hen krijgen dat zeer waarschijnlijk namelijk alsnog in een later stadium, legt opleidingsdirecteur van informatica Bas Luttik uit.
Rangnummers
Als voorbeeld noemt Luttik de cijfers van vorig jaar. “Bij ons is de numerus fixus vastgelegd op 375 studenten. Kandidaten die de hele selectie doorlopen, krijgen een rangnummer toegewezen. De 375 studenten met de laagste nummers krijgen als eerste een plek aangeboden, maar het hoogste nummer dat in 2025 uiteindelijk een aanbod kreeg, zat rond de 800. We hadden in totaal 1249 kandidaten.”
Ook bij werktuigbouwkunde schuift de wachtlijst ver door, vertelt opleidingsdirecteur Hans Kuerten. Het afgelopen jaar kreeg nummer 995 van de circa 1500 deelnemers nog een aanbod, de cap staat op 500 studenten. “Kandidaten die daadwerkelijk afgewezen worden, hebben de selectie echt behoorlijk slecht gedaan”, stelt hij.
Aan de poort
Kuerten acht de kans groot dat die studenten het tweede jaar van de studie überhaupt niet hadden gehaald. “Al zolang ik hier werk – en dat is best al lang – is het aantal Nederlandse studenten dat in het tweede jaar begint vrij constant. Dat is niet veranderd met het invoeren van de numerus fixus.” De selectie zorgt er volgens hem voor dat studenten al aan de poort afvallen en niet pas in de loop van het eerste jaar.
Als studenten in eerste instantie op de wachtlijst staan, wil dat dus niet zeggen dat ze daadwerkelijk afgewezen zijn. Veel plaatsen komen bijvoorbeeld weer vrij omdat kandidaten ook bij andere universiteiten hun geluk beproeven. Zo ziet opleidingsdirecteur Jacob Voorthuis van bouwkunde Nederlandse studenten toch voor Delft kiezen – en andersom. Deels daardoor kan uiteindelijk vrijwel iedereen die de selectie doorloopt en definitief voor de TU/e kiest een plek bemachtigen bij de opleiding.
Toch toegelaten
Twee van de drie klasgenoten van de zoon van Boudewijn van Dongen, waarover hij in zijn column schreef, hebben inmiddels alsnog een aanbod gekregen bij bouwkunde en werktuigbouwkunde. De derde kandidaat besloot geen aanbod af te wachten en maakte een switch van werktuigbouwkunde naar elektrotechniek – ook aan de TU/e.
Bij bouwkunde is de numerus fixus vooral bedoeld als filter om de juiste studenten aan te trekken en niet zozeer om de instroom te beperken. De selectie bestaat voornamelijk uit een motivatietoets, waarbij studenten een dag meelopen op de campus of online. Afkomst, nationaliteit of woonplaats spelen geen rol. “Je mag niet discrimineren en dat is volgens mij een groot goed”, aldus Voorthuis.
Lage uitval
Door studenten te selecteren op motivatie daalde de uitval bij bouwkunde volgens Voorthuis van tussen de 25 tot 30 naar ongeveer 9 procent. Bij werktuigbouwkunde ligt het percentage dat naar het tweede jaar doorstroomt rond de 80 procent. Bij informatica kreeg zelfs 87 procent van de eerstejaarsstudenten een positief bindend studieadvies. “Dat is ongekend hoog”, aldus Luttik.
Het sterkt hem in het idee dat de numerus fixus een goede invloed heeft, zelfs als bij de selectie Nederlandse kandidaten afvallen. “Wat hebben we eraan om Nederlanders toe te laten die vervolgens na het eerste jaar afvallen?”, vraagt hij zich af.
Kwaliteit waarborgen
Bij informatica is – net als bij werktuigbouwkunde – de numerus fixus wél bedoeld om de instroom te beperken. “Dat is nodig om de kwaliteit te waarborgen. Dat kunnen we alleen maar doen met het aantal studenten dat we nu toelaten”, zegt Luttik. “Alleen door de kwaliteit van de opleidingen te waarborgen, kan de TU/e afgestudeerden afleveren waar de tekortsectoren iets aan hebben."
Daarnaast zijn internationale studenten volgens de opleidingsdirecteuren juist nodig om de grote tekorten op te vangen. Vooral voor informatica en werktuigbouwkunde ligt het aantal Nederlandse kandidaten bij lange na niet op het niveau van het aantal beschikbare plekken.
Geen betere kansen
Bij alle drie de opleidingen vormen internationale kandidaten een grotere groep dan de Nederlanders. En soms doen ze het ook nog eens beter dan Nederlandse studenten bij de selectie.
Dat komt volgens de opleidingsdirecteuren niet doordat ze meer gewend zijn aan toelatingsexamens, zoals Van Dongen in zijn column suggereert. Luttik: “Bij ons krijgen kandidaten een wiskundetoets op vwo-niveau. Voor de andere twee onderdelen krijgen ze materiaal te bestuderen, waar ze een toets over moeten doen. Daar kunnen internationale studenten zich niet beter op voorbereiden dan Nederlandse kandidaten.”
Ook bij werktuigbouwkunde hebben ze volgens Kuerten geen voordeel. Daar bestaat de selectie uit een wiskunde- en natuurkundetoets op vwo-niveau. En een test waarbij de kandidaten vragen moeten beantwoorden over een college dat ze te zien krijgen.
Nederlanders krijgen overigens wél een kleine voorsprong, omdat beide opleidingen activiteiten op de campus organiseren waarbij aankomende studenten al een beetje voorbereid worden op de selectie. Die zijn voor Nederlanders makkelijker bij te wonen.
Laag niveau wiskunde
Maar waarom doen de internationale studenten het dan toch beter? Dat komt volgens Luttik omdat het wiskundeonderwijs in andere landen beter is. “We zien in de selectie terug dat het middelbareschoolniveau in Nederland daalt ten opzichte van de rest van Europa.” Dat is waar de discussie volgens hem vooral over zou moeten gaan. Daar is Kuerten het mee eens. “Dat is echt zorgelijk.”
Hij ziet daarnaast de interesse voor techniek afnemen bij jongeren. “Daar proberen we wel wat aan te doen, maar daar zal je op de lange termijn pas iets van kunnen merken.”
Voorrang niet nodig
In de recente berichtgeving over de numerus fixus en in de Kamervragen van Diederik Boomsma gaat het echter niet over die oorzaken, maar over de vraag of Nederlandse studenten geen voorrang zouden moeten krijgen bij de opleidingen. Dat is volgens de opleidingsdirecteuren niet nodig. Volgens hen worden op dit moment nauwelijks geschikte Nederlandse kandidaten definitief afgewezen.
Daarnaast lijken internationale studenten vooral na hun master net zo bereid om in de regio te blijven werken als Nederlandse studenten, zien zowel Luttik als Kuerten.
Voorlopig zien de opleidingen daarom weinig reden om het toelatingsbeleid aan te passen, al denkt Luttik wel na over manieren om studenten meer zekerheid te geven. “Misschien moeten we het risico nemen dat er iets te veel studenten komen en al een grotere groep meteen een aanbod doen. Dan hebben kandidaten die daadwerkelijk bij ons willen studeren in ieder geval sneller duidelijkheid.”



Discussie