
Sluitstuk | Kankercellen onder supermicroscoop
TU/e-onderzoeker Marrit Tholen maakt het onzichtbare zichtbaar: met een superresolutiemicroscoop bekijkt ze nanodeeltjes en kankercellen tot in het kleinste detail. Haar promotieonderzoek laat zien hoe nanomedicijnen en vaccins preciezer kunnen worden afgeleverd in het lichaam, en onthult dat cellen van echte patiënten totaal verschillen van de standaardcellijnen in laboratoria.
Tijdens haar masteronderzoek ontdekte Marrit Tholen haar passie voor microscopie, toen ze onder begeleiding van hoogleraar bio-organische chemie Jan van Hest probeerde te tellen hoeveel antilichamen zich op een nanodeeltje bevinden. Hierbij proefde ze aan het onderzoek van Lorenzo Albertazzi.
Albertazzi's groep werkt met een microscopietechniek die biologische en synthetische materialen op enkelmolecuulniveau kan bestuderen, waaronder nanodeeltjes. Tholen was onder de indruk van de prachtige beelden en voelde zich thuis bij de groep.
Na haar studie nam ze het initiatief om Albertazzi te vragen of er misschien een geschikte PhD-positie voor haar was. Haar assertiviteit werd beloond: ze kreeg een uitnodiging om te solliciteren en startte – precies aan het begin van de coronapandemie – haar promotieonderzoek.
Op het juiste adres bezorgen
Ook Tholens promotieonderzoek richt zich op nanodeeltjes, kleine pakketjes die medicijnen of genetische instructies naar specifieke cellen kunnen brengen. Bij de covidvaccins wordt een soortgelijk principe gebruikt: het mRNA wordt verpakt in vetbolletjes, die het naar de juiste plek in het lichaam brengen, zodat cellen tijdelijk het spike-eiwit maken, waardoor het immuunsysteem dit leert herkennen als iets wat niet in het lichaam hoort.“Eigenlijk een heel klein ‘DHL-pakketje’ dat door je lichaam heen reist”, legt Tholen uit.
Ze probeerde te begrijpen hoe deze pakketjes eruitzien aan de buitenkant en onderzocht hoe ze zó te ontwerpen dat ze hun inhoud precies bij de juiste cellen afleveren. “Je kunt er antilichamen op zetten, zodat specifieke cellen ze herkennen. Het is eigenlijk een soort barcode die de juiste cel kan aflezen, waarna het pakketje alleen daar naar binnen gaat”, zegt ze.
Zo kunnen vaccins of medicijnen veel gerichter worden afgeleverd, efficiënter en met minder bijwerkingen. Dat is vooral belangrijk bij chemotherapie, waarbij het middel anders het hele lichaam aanvalt en bijwerkingen zoals haaruitval of misselijkheid veroorzaakt.
Een schattige zwarte doos
“Het eerste doel van mijn onderzoek was om met superresolutiemicroscopie te bekijken wat er precies aan de buitenkant van de nanodeeltjes gebeurt”, vertelt Tholen. “Onder een gewone microscoop zie je slechts een vage vlek. Met superresolutiemicroscopie kun je heel gedetailleerd zien hoeveel antilichamen op de nanodeeltjes zitten en hoe ze precies gepositioneerd zijn.”
Werken met deze speciale supermicroscoop was voor haar een totaal nieuwe ervaring. “Het lijkt totaal niet op een gewone microscoop”, zegt ze, terwijl ze het apparaat in het lab laat zien. “Het is eerder een schattige zwarte doos.” In plaats van rechtstreeks in de microscoop te kijken, volg je alles live op een computerscherm. Lange uren bracht Tholen zo door, terwijl ze de nanodeeltjes tot in detail bestudeerde.
Een antilichaam bestaat uit een stammetje en twee ‘armen’, samen in de vorm van een Griekse Y. De armen binden aan doelcellen, terwijl het stammetje het immuunsysteem activeert. Staat het antilichaam op het nanodeeltje met het stammetje naar buiten, dan wordt het sneller opgeruimd; staan de armen naar buiten, dan bindt het vooral aan de doelcellen.
Tholen vergelijkt het met een deurbel: aan de buitenkant van cellen zitten receptoren die een antilichaam kan induwen om het te openen. Drukt een antilichaam op de juiste manier, dan gaat de deur open en kan het nanodeeltje naar binnen. Staat de oriëntatie verkeerd, dan gebeurt er niets. Zo onderzocht ze welke ontwerpregels nodig zijn om nanodeeltjes optimaal met cellen te laten communiceren.
Het paradepaardje
Na het bestuderen van de nanodeeltjes richtte Tholen zich op de cellen zelf, vooral kankercellen. De receptoren op de cel zijn namelijk niet statisch, maar continu in beweging. En de hypothese is dat deze beweging iets zegt over de onderliggende biologische processen en van invloed is op de reactie van de patiënt op therapie.
Samen met het Catharina Ziekenhuis zette ze een studie op bij patiënten met leukemie. Leukemiecellen bewegen door het bloed, waardoor ze gemakkelijk onder de microscoop te bekijken zijn. Na een beenmergpunctie worden deze cellen normaal weggegooid. “Maar je kunt dat ‘afval’ prima voor onderzoek gebruiken”, bedacht Tholen.
Dit werd het paradepaardje van haar thesis. “Het was wereldwijd de eerste keer dat we met superresolutiemicroscopie receptorbeweging op levende patiëntencellen hebben bestudeerd”, zegt ze.
Technisch gezien was het al lang mogelijk, maar het vergt ontzettend veel werk: je moet enorme aantallen bewegende cellen bestuderen, gigantische hoeveelheden data verzamelen en deze vervolgens analyseren. “Het kost uren en uren meten met de microscoop, en daarna heel veel statistische analyses om er iets zinnigs over te kunnen zeggen”, legt ze uit.
Monnikenwerk
Dat monnikenwerk had Tholen ervoor over: ze ging er helemaal voor en bracht tijdens vele uren in het lab het celmateriaal van tien patiënten in kaart. Zo ontdekte ze dat iedere patiënt een unieke ‘vingerafdruk’ van receptorbewegingen heeft.
“Het is iets voor vervolgonderzoek om te bekijken wat dit precies betekent, maar we kunnen nu in ieder geval bij patiëntencellen de receptoren aan de buitenkant van kankercellen bestuderen. Dat is een grote stap”, zegt ze. Uiteindelijk kan dit artsen helpen bij diagnostiek en het bepalen van de juiste behandeling.
Verschillende boeketten
Haar belangrijkste boodschap aan wetenschappers: cellijnen – genetisch identieke cellen gekweekt in het lab – lijken totaal niet op echte patiëntencellen. “Wat je in het lab meet, is misschien helemaal niet relevant voor de patiënt.” Ze gebruikt een metafoor: patiënten als boeketten met verschillende bloemen.
“Cellijnen bevatten bijvoorbeeld alleen zonnebloemen, maar de boeketten van patiënten bevatten allerlei soorten bloemen. Meet je tien keer de cellijnen, dan krijg je steeds hetzelfde resultaat. Meet je tien keer de cellen van patiënten, dan krijg je telkens andere boeketten, met andere bloemen, kleuren en geuren.”
Met haar onderzoek pleit Tholen ervoor om vooral echt patiëntenmateriaal te bestuderen en betere modellen te ontwikkelen. “Misschien geldt dat niet voor iedere ziekte, maar bij leukemie wel. Daar zijn verschillende soorten cellen bij betrokken, terwijl een celkweek steeds maar één type cel bevat. Ik vind het fantastisch dat we dat hebben kunnen aantonen, en daar ben ik trots op.”
Zelf een microscoop bouwen
Naast al het onderzoek heeft Marrit Tholen ook ‘PhD 5’ gedaan, wat betekent dat je een extra jaar krijgt om te besteden aan onderwijs. “Ik heb gedurende die vijf jaar dus ook veel tijd gestoken in het vormgeven van onderwijs hier aan de TU/e”, zegt ze. Zo ontwikkelde ze in het kader van Challenge-Based Learning een vak waarbij studenten hun eigen microscoop moesten bouwen.
“Helaas zijn microscopen erg duur, dus je kunt niet zestig studenten allemaal van een eigen exemplaar voorzien”, legt ze uit. “Maar je kunt wél de onderdelen 3D-printen en daaruit – als een soort legoblokjes – een eigen microscoop bouwen.”Dat is niet alleen een stuk goedkoper – de microscoop komt dan neer op ongeveer tachtig euro – maar het bouwen van een eigen microscoop geeft studenten ook een veel dieper inzicht in de werking van de verschillende optische componenten en de natuurkundige principes erachter.
“Ze moeten zelf veel instellen en manipuleren, zoals de afstand tussen de lenzen”, legt ze uit. “Door dat zelf te doen, ontdekken ze echt wat er gebeurt: als ik dit doe, dan gebeurt dát. Dat is een totaal andere ervaring dan simpelweg een kant-en-klare microscoop aanzetten en eindeloos doorklikken tot het beeld scherp is.”
PhD in the picture
Wat zien we op je proefschriftkaft?
“Er staat een walvis op de cover. Hoewel een walvis veel meer cellen heeft dan een mens, krijgt hij veel minder vaak kanker. Dat noemen we Peto’s paradox. Met een superresolutiemicroscoop kijken we als het ware bij de walvis naar binnen en zien we antilichamen, cellen, maar ook een microscoopje.
In mijn onderzoek heb ik eiwitten gebruikt als markers om structuren in cellen zichtbaar te maken. Veel van deze eiwitten komen van bloemen, zoals de narcis. Daarom – en ook vanwege de eerder genoemde metafoor van het boeket bloemen – is het bloemenmotief door het hele proefschrift terug te vinden. Daarnaast zie je een duiker die de onderzoeker symboliseert, en de bellen die hij uitblaast, zijn een knipoog naar de nanodeeltjes.”
Je bent op een verjaardagsfeestje. Hoe leg je in één zin uit wat je onderzoekt?
“Ik onderzoek hoe kankercellen eruitzien, tot in de allerkleinste details, en gebruik daarvoor een speciale superresolutiemicroscoop.”
Hoe blaas je naast je onderzoek stoom af?
“Ik ben graag creatief bezig. Alle afbeeldingen in mijn proefschrift heb ik zelf gemaakt, met een speciale techniek die cyanotype heet. Hierbij leg je bijvoorbeeld een bloem op een vel papier en smeer je er lichtgevoelige chemicaliën op. Zodra het papier aan zonlicht wordt blootgesteld, kleurt het blauw. Alleen op de plekken waar de objecten hebben gelegen, blijft het papier wit, waardoor je een soort blauwdruk krijgt.”
Welke tip had je als beginnende PhD-kandidaat willen krijgen?
“Hou niet te veel vast aan het plan zoals het van tevoren is opgesteld. Toevallige ontdekkingen kunnen je juist naar iets veel mooiers en interessanters leiden. Zo begon ik met nanodeeltjes en kwam ik uiteindelijk uit bij het bestuderen van kankercellen – wat uiteindelijk de belangrijkste bijdrage van mijn proefschrift werd.”
Wat is je volgende hoofdstuk?
“Dat is nog niet zeker. Ik heb een aanbod van de universiteit dat ik aan het overwegen ben, maar ik wil in ieder geval verder met klinische studies en microscopie – dat heeft me echt gegrepen. Soms zie je iets voor het eerst, iets wat nog niemand ter wereld heeft gezien. Dat is een prachtig moment. Toen ik voor de eerste keer patiëntenmateriaal aan het meten was, stond ik bijna te springen op mijn stoel en kon ik niet wachten om het met iedereen te delen.”


Discussie