
Sluitstuk | Beter monitoren tijdens en na de bevalling
Een onderzoek in de verloskamer door Phebe Berben
Tijdens een bevalling is goede monitoring van moeder en kind belangrijk, maar de huidige techniek is niet altijd nauwkeurig genoeg. TU/e-promovendus Phebe Berben onderzoekt daarom een nieuwe methode die draadloos werkt en nauwkeuriger meet. Dat kan zorgverleners helpen beter in te schatten wanneer ingrijpen nodig is – en wanneer juist niet.
Tijdens een bevalling worden de hartslag van de baby, de hartslag van de moeder en de weeënactiviteit continu gemonitord. Die informatie helpt zorgverleners om de conditie van de baby te beoordelen en het verloop van de bevalling in de gaten te houden. Met de techniek die hiervoor al jarenlang wordt gebruikt, kan echter juist op belangrijke momenten signaalverlies optreden, bijvoorbeeld wanneer de moeder of baby beweegt.
Om het signaal te verbeteren, kan een elektrode worden geplaatst. Deze invasieve methode brengt risico’s voor moeder en kind met zich mee, zoals infecties, en heeft daarom niet de voorkeur.
Dat kan beter, vindt Phebe Berben, promovendus bij de TU/e-faculteit Electrical Engineering. Haar onderzoek maakt deel uit van een groot subsidieproject waarin een nieuwe, volledig draadloze monitoringmethode wordt onderzocht. Die methode is niet-invasief en zou net zo nauwkeurig kunnen meten als de invasieve methode.
Ook TU/e-promovendus Ivar de Vries werkte binnen dit project met de technologie. Waar hij zich richtte op het ontwikkelen van algoritmes om complicaties tijdens de zwangerschap eerder te herkennen, onderzoekt Berben vooral de klinische toepasbaarheid van de technologie tijdens en na de bevalling.
Nauwkeuriger meten
Met de nieuwe methode kunnen tijdens de bevalling de hartslag van de baby en moeder en de activiteit van de baarmoeder nauwkeurig worden gemeten. Op basis daarvan kunnen zorgverleners de conditie van de baby beter inschatten. De hartslag van de baby wordt daarbij bekeken in relatie tot de weeënactiviteit.
Als er te weinig weeënactiviteit is, kunnen zorgverleners bijvoorbeeld eerder weeënopwekkers toedienen. Dat kan langdurige bevallingen voorkomen en het risico op infecties en bloedverlies na de bevalling verlagen.
Maar ook te veel weeën kunnen risico’s met zich meebrengen. “Bij elke wee krijgt het kindje tijdelijk een klein beetje zuurstoftekort. Dat kunnen baby’s normaal gesproken best wel goed aan, want daarvoor hebben ze verschillende compensatiemechanismen”, legt Berben uit. “Maar als je te veel weeën hebt, kan de baby er niet zo goed van herstellen en kan dat gevaarlijk zijn.”
Een nauwkeurigere meting kan zorgverleners helpen om eerder in te grijpen wanneer dat nodig is – en onnodige interventies juist te voorkomen.
Meer bewegingsvrijheid
De nieuwe methode wordt in Nederland nog niet gebruikt tijdens bevallingen. Om de methode in de praktijk te testen, zette Berben een grote klinische studie op, die momenteel nog loopt. De resultaten moeten nog uitwijzen of de centrale hypothese klopt: dat een nauwkeurigere meting uiteindelijk leidt tot minder interventies, zoals keizersneden en kunstverlossingen, waarbij de baby met hulp van een instrument ter wereld wordt gebracht.
Daarnaast speelt patiënttevredenheid een belangrijke rol. De meting gebeurt volledig draadloos, waardoor vrouwen meer bewegingsvrijheid hebben – iets wat zij vaak belangrijk vinden. “Met de oude meettechniek is het belangrijk om tijdens de meting niet te veel te bewegen om nauwkeurige resultaten te krijgen. Maar probeer maar eens stil te liggen als je aan het bevallen bent”, zegt Berben.
Ook na de bevalling
Berben onderzoekt in haar proefschrift ook de periode direct na de bevalling. “Daar is nog weinig over bekend, omdat de huidige meetmethodes niet geschikt zijn om de baarmoederactiviteit nauwkeurig na de bevalling te meten. Met de nieuwe methode kunnen we daar hopelijk meer inzicht in krijgen”, zegt ze.
Een van de grootste risico’s voor de vrouw na de bevalling is ernstig bloedverlies. Vooral in ontwikkelingslanden is dit een belangrijke oorzaak van moedersterfte. Een mogelijke oorzaak is dat de baarmoederspier na de bevalling vermoeid is en daardoor niet goed samentrekt. Hierdoor worden de bloedvaten rondom de placenta niet goed dichtgedrukt, met hevig bloedverlies als gevolg. Ook een vastzittende placenta kan bloedverlies veroorzaken.
Maar hoe de activiteit van de baarmoeder er precies uitziet bij een normaal verloop, weten we nog niet goed. “Eigenlijk wil je inzicht krijgen in de normale fysiologie, zodat je afwijkende activiteit in de toekomst kunt herkennen en complicaties kunt voorkomen”, aldus Berben.
Vooralsnog is dat een hypothese. De grote studie die Berben opzette, waaraan ruim tweeduizend vrouwen deelnemen, moet daar meer inzicht in geven.
Van onderzoek naar praktijk
Berben werkte tijdens haar promotietraject fulltime in het ziekenhuis en merkte hoeveel er komt kijken bij het opzetten van een grote studie. “Het vraagt heel veel: allerlei ethische goedkeuringen, omdat je een nieuw apparaat gebruikt bij zwangere vrouwen op een acute afdeling en hun data verzamelt. Dat maakt het allemaal best complex”, zegt ze.
Bovendien zijn er veel partijen bij betrokken. Een nieuwe methode moet niet iets blijven dat door onderzoekers wordt bedacht; uiteindelijk moet het personeel op de werkvloer ermee werken en bijvoorbeeld het apparaat kunnen aansluiten. Daarom is een goede implementatie minstens zo belangrijk als de techniek zelf, vindt Berben. “Betrek iedereen er heel vroeg bij”, luidt haar advies.
Ook de vrouwen die aan de studies deelnamen, werden vooraf goed geïnformeerd en konden zelf kiezen of ze wilden deelnemen. Na hun toestemming werd het nieuwe apparaat aangesloten zodra de bevalling begon en gebruikt tijdens de hele bevalling, tot anderhalf uur daarna. “Er kon altijd tussentijds worden geswitcht naar de oude methode, mochten er twijfels zijn”, zegt Berben.
Tijdens de studies was Berben er regelmatig bij op de afdeling, om patiënten en zorgverleners te ondersteunen, vragen te beantwoorden en te helpen als er problemen waren.
Hoewel Berben nog geen harde conclusies kan trekken – haar studie wordt door opvolgers voortgezet – ziet ze veel mogelijkheden voor de nieuwe manier van monitoren. ”Niet alleen tijdens de bevalling, maar juist ook in de periode erna. “Ik denk dat de methode potentie heeft om nauwkeurige resultaten te geven en tegelijkertijd de patiënttevredenheid te vergroten”, besluit ze.
PhD in the picture
Wat zien we op je proefschriftkaft?
“Een heel abstracte afbeelding, die de borsten en buik van de vrouw symboliseert, met een baby erin. Je ziet twee cirkels die staan voor de twee onderdelen van mijn onderzoek: een deel gaat over de bevalling en het kleine schilletje staat voor de periode na de bevalling – het stuk waar we nog zo weinig over weten.”
Je bent op een verjaardagsfeestje. Hoe leg je in één zin uit wat je onderzoekt?
“Ik onderzoek een preciezere methode om tijdens de bevalling de hartslag van de baby en de weeënactiviteit te meten, en kijk of dat tot minder interventies leidt.”
Hoe blaas je naast je onderzoek stoom af?
“Ik sport heel graag. Vooral wielrennen vind ik leuk om te doen.”
Wat heeft je promotietraject je geleerd?
“Het is superleerzaam op zoveel vlakken die veel verder reiken dan alleen onderzoek doen. Als je zo’n grote studie opzet, ben je eigenlijk een heel groot project aan het leiden. Daardoor ontwikkel je allerlei brede kwaliteiten, zoals coördineren en managen.”
Wat is je volgende hoofdstuk?
“Ik ben nu werkzaam als arts bij de verloskunde. Dus wie weet ga ik in de toekomst ook met de nieuwe meetmethode werken in de praktijk.”


Discussie