door

Soevereiniteit-in-eigen-kring

15/09/2026

Wat gebeurt er als universiteiten geopolitieke voorkeuren uiten, of als overheden bepalen wat telt als wetenschappelijk onderzoek? Christine Boshuijzen-van Burken gaat te rade bij onder anderen Hendrik van Riessen, verzetslid in de Tweede Wereldoorlog en later filosofieprofessor aan de TU/e.

Denken als ambacht. Wat universiteiten kunnen bijdragen. Dat was de titel van een boekje dat ik van een studente kreeg als bedankje. 

Ik werd getroffen door de toon van de ondertitel: Wat universiteiten kunnen bijdragen. Dat klinkt niet tomeloos ambitieus (allemaal wel niet kunnen bijdragen), niet voorschrijvend (zouden moeten bijdragen), maar ook niet geheel vrijblijvend (ze kunnen tenslotte wat bijdragen). 

De formulering getuigt van vertrouwen en bescheidenheid in de rol van de universiteit. Maar wat is die rol dan precies en waarin? Twee denkers wil ik in dit kader graag kort noemen. 

De eerste komt van dicht bij huis: Hendrik van Riessen, mijn voorganger op de leerstoel voor Christelijke Filosofie (toen reformatorische wijsbegeerte) hier aan de TU/e. De tweede is Amerikaanse socioloog Robert Merton, die schreef waar het in de wetenschap om gaat, of zou moeten gaan. 

De ideeën van beide denkers zijn ontstaan tegen de achtergrond van de Tweede Wereldoorlog. Om een maatschappij tegen totalitarisme te behoeden, greep Van Riessen terug op principes die al rond 1900 uitgedacht waren door Abraham Kuyper (1837-1920) en vervolgens verder doorontwikkeld door Herman Dooyeweerd (1894-1977). 

Een kernbegrip was het principe van ‘soevereiniteit-in-eigen kring’. Dat houdt ongeveer in dat maatschappelijke verbanden (bijvoorbeeld kerk, staat, gezin, wetenschap, kunst, sport en bedrijven) een eigen aard en daartoe bijbehorende taken, regels en normen hebben, die niet door andere maatschappelijke verbanden opgelegd kunnen worden. 

Elk verband is geroepen tot handelen in vrijheid en verantwoordelijkheid, binnen de grenzen van de eigen interne structuur. Elk maatschappelijk verband heeft dus een eigen logica, die niet te herleiden is tot de logica van een ander verband of opgelegd moet worden aan een ander verband.

Doe je dat wel, dan is dat een verschraling van de pluriformiteit van maatschappelijke verbanden, en die pluriformiteit is nodig om als maatschappij, en als haar individuen, tot bloei te komen. Een gezin run je niet als een bedrijf, een orkest niet als een kerk, een universiteit niet als een ziekenhuis en een school niet als een voetbalclub. 

Natuurlijk zijn er overeenkomsten tussen de levenssferen, want een gezin heeft een huishoudboekje, een museum kan sportiviteit bevorderen en een universiteit die rekening houdt met de religieuze gebruiken van medewerkers of studenten wordt daardoor niet meteen een kerk. Er treedt een probleem op als de regels en normen van de ene sfeer leidend worden voor de andere sfeer. 

Dus als een universiteit zich laat verleiden tot politieke uitspraken, een sportclub danst naar de pijpen van haar aandeelhouders of de normen van een ziekenhuis verward worden met die van de esthetische kunsten. Dan gaat er op termijn iets verloren, met als gevolg dat individuen niet meer in vrijheid binnen of tussen verbanden kunnen bewegen. 

Ik vraag me af of ik deze column bijvoorbeeld had kunnen schrijven als onze Nederlandse maatschappij de laatste 100 jaar niet doordrenkt was geweest van het principe van soevereiniteit-in-eigen-kring.*

Nu naar de rol van de universiteit: voor Van Riessen was het duidelijk dat het doen van onderzoek aan een universiteit ten goede moet komen aan het onderwijs aan studenten. Het doen van onderzoek in een bedrijfslaboratorium dient ten gunste van productverbetering en de doelstellingen van het bedrijf. Die twee lijken op elkaar, maar dienen andere doelen en zijn dus ook op een andere manier geregeld. 

Voor Merton gold dat wetenschap noodzakelijkerwijs gekenmerkt wordt door gemeenschappelijkheid (wetenschappelijke kennis komt gezamenlijk tot stand en is van de gemeenschap), universaliteit (zonder aanzien des persoon, dus het mag niet uitmaken of een onderzoeker Jood of Griek is), belangeloosheid (uitkomsten van onderzoek moeten niet gestuurd worden door de belangen van een groep of persoon), en georganiseerde scepsis (dat kennen we als het peerreviewsysteem waarbij vakgenoten onderzoek beoordelen voordat het gepubliceerd wordt). 

Zie het als de structuurprincipes van de wetenschap. Wanneer die verloren gaan, bijvoorbeeld als universiteiten geopolitieke voorkeuren uiten, of als overheden bepalen wat telt als wetenschappelijk onderzoek, bewijst men haar samenleving geen dienst, integendeel. Hoe goedbedoeld de intenties ook zijn. 

Merton voegde eraan toe dat deze waarden soms inconsistent met die van de maatschappij kunnen zijn, maar dat, wil de universiteit met haar unieke rol de maatschappij willen dienen, ze wel hier op gericht moet blijven. 

Christine Boshuijzen-van Burken is leerstoelhouder Christelijke filosofie aan de TU/e. Haar hoofdaanstelling is aan de Nederlandse Defensie Academie, waar zij onderzoek doet naar militaire ethiek. Boshuijzen schrijft deze opinie op persoonlijke titel.  


* Van Riessen, die zelf werd opgepakt omdat hij actief was in het verzet, was zelfs van mening dat het Nederlandse verzet tijdens de nazibezetting in WW2 zo succesvol was omdat individuen zich vrijelijk bewogen tussen de maatschappelijke verbanden en het verzet zelf niet gebonden was aan een instituut of levenssfeer. Van Riessen was dus een hoogleraar die politiek zeer activistisch was, maar het niet in zijn hoofd haalde om zijn universiteit te bewegen tot een politieke uitspraak. 

Deel dit artikel