door

De Nederlandse droom

07/05/2026

Lars ten Hacken verblijft sinds februari voor zijn afstuderen in Beijing. Vanaf die afstand, en met zijn socialmediafeed als graadmeter, beschouwt hij de gemoedstoestand van de Nederlandse student.

Met de verkiezingen nog vers in het geheugen en een nieuw kabinet in de Tweede Kamer, vliegen de kritiekstukken over de basisbeurs, de rente op studieschulden, de huurmarkt en het vervloekte BSA mij online om de oren.

Een spervuur aan statistieken en anekdotes moet bewijzen dat de student van nu een zwaarder en minder geprivilegieerd leven leidt dan die van twintig jaar geleden. Hoewel die standpunten logisch klinken, ontstaan er toch vraagtekens in mijn hoofd nu ik een en ander vanaf afstand observeer.

Toen ik voor onderzoek in de VS verbleef, betaalde ik 1350 dollar voor een maand in een kamer die ik deelde met drie anderen, had mijn tweede woning geen keuken en waren enkele huisgenoten op mijn derde adres afhankelijk van extra financiering voor voedsel.

Hier in China wonen studenten soms met duizenden in één gebouw, delen ze kamers met vier tot acht studenten en zijn ze 24/7 in onderwijsgebouwen te vinden. Het doet de vraag rijzen: waar maken we ons in Nederland dan zo druk om?

Natuurlijk, het studentenleven was in absolute cijfers vroeger misschien wat comfortabeler, maar de huidige realiteit is nog steeds verre van armoedig. Je hoeft geen kamer te delen en kunt lenen tegen een rente die vaak lager is dan de inflatie. Tel daar de flexibiliteit van bijbanen bij op en het lijkt bijna alsof een student, met een beetje goede wil, een prima kwaliteit van leven kan genieten. Waar we in Nederland echter koning in zijn, is het steken van deze goede wil in andere zaken.

Een mede-uitwisselingsstudent in Beijing, die zelf internationale student is in Groningen, grapte dat Nederlanders meer energie steken in klagen over een onvoldoende dan in het voorbereiden van de toets. Onze ‘zesjescultuur’ en de vrijblijvendheid van colleges, waar we liever doorheen slapen om ze later terug te kijken, wekken hier bij mede-Europeanen verbazing.

Resultaten en studievoortgang lijken in Nederland bijzaak, iets waar je recht op hebt zonder er echt voor te hoeven zweten, terwijl je jezelf ontplooit via verenigingen, tussenjaren, hobby’s en andere dure lifestylekeuzes.

We studeren aan wereldwijde topuniversiteiten, gunnen onszelf één of twee jaar extra, hoeven slechts iets meer dan de helft goed te hebben op tentamens en krijgen bij de meeste werkgevers geen vragen over resultaten.

Misschien is dat wel de echte Nederlandse droom: het recht om met minimale inspanning een maximaal erkend diploma te halen, terwijl we klagen dat we zelf moeten betalen voor onze extra studiejaren en de overheid ons niet kan terug-compenseren naar de jaren negentig.

Zelf denk ik dat het probleem niet ligt bij de middelen die ons worden aangereikt, maar in het feit dat we nou eenmaal een andere studiecultuur hebben, waarin ontwikkeling buiten de academische setting centraal staat. Dat is duur en tijdrovend, maar wel een keuze die elke student zelf maakt.

Lars ten Hacken is masterstudent Applied Physics aan de TU/e. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Deel dit artikel