Het sterretje op de poster
Volgens Wob Knaap is het niet primair de numerus fixus die drempels opwerpt voor studenten uit de regio Eindhoven. Het probleem begint al eerder: bij de vraag welke opleidingen überhaupt herkenbaar zijn en aantrekkelijk voelen voor Nederlandse scholieren.
Mijn collega-columnist Boudewijn van Dongen schreef onlangs over het numerus-fixus-circus aan de TU/e. Zijn column schopte het zelfs tot Kamervragen. Mijn mening daarover bewaar ik graag voor een latere column. Waar ik het nu over wil hebben, is de analyse die daarvóór ligt. Voordat je kunt discussiëren over wie straks naar binnen mag, moet je de vraag stellen wie überhaupt naar de deur loopt.
In mijn tijd bij het voorlichtingsteam van de TU/e zag ik dat terug op de poster met alle bacheloropleidingen. Alle studies stonden keurig naast elkaar. Tot je bij sommige opleidingen dat kleine sterretje zag staan, verwijzend naar: numerus fixus. Voor de universiteit een noodzakelijke vermelding. Voor een scholier al snel een waarschuwingsbord. Selectie. Toets. Kans dat je er niet doorheen komt.
Dat werkt averechts. Zeker omdat juist de studies met zo’n sterretje vaak de opleidingen zijn waarvan de naam een internationale uitstraling heeft. Mechanical Engineering en Computer Science hoef je buiten onze landsgrenzen nauwelijks uit te leggen. Die staan op websites van American universities, Technische Universitäten en zo ongeveer elke andere instelling die zichzelf technisch serieus neemt. Die labels hebben internationale exportwaarde.
Nederlandse studiekeuze werkt anders dan internationale studiekeuze. Een Nederlandse scholier kiest niet alleen op status, maar ook op taal, sfeer, afstand tot huis en herkenning. Werktuigbouwkunde kent iedereen. Mechanical Engineering is in feite dezelfde opleiding, maar die link legt niet elke scholier automatisch. Internationaal werkt die Engelse naam juist wél: daar is Mechanical Engineering een herkenbaar label.
Zo ontstaat een rare dubbelwerking. De opleiding trekt internationaal veel studenten, krijgt een numerus fixus, en wordt voor Nederlandse scholieren minder vanzelfsprekend. Tegelijk hebben andere interessante TU/e-opleidingen vaak juist géén internationaal bekend label én geen naam die bij Nederlandse scholieren meteen een beeld oproept.
En daar komt kroonprins-broertje Delft irritant goed uit de verf. Werktuigbouwkunde is daar nog gewoon Werktuigbouwkunde: Nederlandstalig, herkenbaar en zonder numerus fixus. Toeval of niet, Delft lijkt zijn bekendste opleidingen beter aangesloten te houden op de Nederlandse studiekeuzecultuur.
Bij de TU/e voelt dat minder vanzelfsprekend. De studies die internationaal toch al gevonden worden, krijgen de meeste selectiehekken. Tegelijk blijven opleidingen met minder bekende namen, maar vaak juist veel potentie, harder vechten om überhaupt in beeld te komen. Niet omdat ze minder interessant zijn, maar omdat ze minder vanzelf spreken voor scholieren die nog moeten ontdekken wat erachter zit.
Zo begint het probleem eerder dan bij de selectieprocedure. De vraag wie er doorheen komt, stellen we eigenlijk te vroeg. Eerst moet je vragen: wie voelt zich überhaupt aangesproken?
Wob Knaap is student Data Science aan de TU/e. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Discussie