door

UR | Instituutsblues

18/03/2026

Voormalig Cursor-columnist Oded Raz is terug als gastauteur, nu vanuit zijn nieuwe rol als lid van de Universiteitsraad (UR). De wetenschapper vraagt zich af: hoe komt het dat instituten aan de TU/e vaak zo’n korte levensduur hebben?

Cambridge Dictionary definieert een ‘instituut’ als ‘… een organisatie met als doel de studie van een bepaald onderwerp te bevorderen’. Aan veel universiteiten wereldwijd – en ook in Nederland – zijn onderzoeksinstituten symbolen van en ankerpunten voor de wetenschappelijke en maatschappelijke langetermijnvisie van de universiteit.

Denk bijvoorbeeld aan het Donders Instituut van de Radboud Universiteit of het Anton Pannekoek Instituut van de UvA – die beide onlangs hun honderdjarig bestaan vierden.

In het afgelopen halfjaar kondigde de TU/e de sluiting aan van twee van haar vier instituten. Het ene wordt vervangen door een nieuw, groter instituut met dezelfde naam (Casimir), en het andere zal worden verdeeld over de hele universiteit (EAISI).

Je zou denken dat een universitair instituut een belangrijk onderdeel is van het erfgoed en de uitstraling van een universiteit. Maar hoe komt het dan dat TU/e-instituten zo’n kort leven beschoren is?

Onderzoek vindt aan de TU/e plaats op het niveau van de faculteiten. De TU/e-instituten zijn opgericht om de zichtbaarheid van ons academisch werk te vergroten, maar ze beschikken niet over de middelen om onderzoek te financieren of wetenschappers aan te stellen. Het kost veel tijd om een reputatie op te bouwen voor een instituut: minstens vijf jaar, maar vaak veel langer.

De TU/e heeft in de jaren 2010 en begin jaren 2020 besloten sterke thematische instituten op te richten op het gebied van: materialen (ICMS), energie (EIRES), AI (EAISI) en quantum en fotonica (EHCI). De universiteit stelde in haar instellingsplannen dat deze instituten de weg moesten wijzen naar een toekomst van baanbrekend onderzoek op hun respectievelijke vakgebieden.

Onlangs publiceerde de TU/e het instellingsplan 2026-2030. Hoewel de onderzoeksthema’s van bovengenoemde instituten daarin wel terugkomen, is de rol van de instituten zelf veel minder duidelijk. Bovendien betekenden 2025 en begin 2026 voor sommige instituten dat hun bestaan ter discussie werd gesteld.

EHCI werd opgeheven om plaats te maken voor een nieuwer en groter Casimir-instituut, terwijl EAISI werd gevraagd “een manier te vinden” om zich te integreren in het bredere onderzoekslandschap van de TU/e.

Als instituten belangrijk zijn, voor de lange termijn bedoeld zijn en tijd nodig hebben om hun positie te vestigen, waarom is de TU/e dan zo snel geneigd twee van haar vier instituten te sluiten of te vervangen?

Hebben ze hun belofte niet waargemaakt? Is het wetenschapsdomein waarop ze gebaseerd zijn verouderd of niet interessant genoeg meer voor onderzoeksfinanciers? Of spelen er andere motieven mee?

Trends in de wetenschap zijn bijna zo vluchtig als die in de mode. Wanneer een bepaald onderwerp door de industrie is overgenomen of een doodlopend spoor blijkt te zijn, wordt het snel verlaten. Niet omdat de onderzoeksvragen niet interessant of uitdagend meer zijn, maar omdat de financiering opdroogt.

Van bovengenoemde instituten staat echter buiten kijf dat de thema’s die zij vertegenwoordigen nog altijd relevant en actueel zijn. Toch werden ze opgeheven.

Als instituten stopgezet worden als hun onderwerp achterhaald raakt, is dat begrijpelijk. In deze gevallen – zo kort na hun oprichting – roept het echter vragen op.

Wat kunnen we hiervan leren? Welke stappen zouden we moeten doorlopen vóór de oprichting van een instituut, om succes op lange termijn te waarborgen? Als we onze instituten een eerlijke kans willen geven om te groeien en internationale erkenning te verwerven, moeten we misschien meer investeren in de voorbereidingsfase en ze een langer mandaat geven om zich te bewijzen, voordat we de stekker eruit trekken.

Ik geloof dat deze stappen op de lange termijn de gemeenschap, het imago en de internationale zichtbaarheid van de TU/e beter zullen dienen.

Oded Raz is hoogleraar Fotonica aan de TU/e en vertegenwoordigt personeelsfractie PUC in de Universiteitsraad. Hij schrijft deze column op persoonlijke titel.

Deel dit artikel