Sluitstuk | Blije koppies in de gymzaal

Van rekstokstress naar gymplezier: evaluatietool krijgt kinderen in beweging

Hoe zorg je dat elk kind met een glimlach de gymles verlaat? TU/e-promovendus Anoek Adank – in het dagelijkse leven docent-onderzoeker bij Fontys Sporthogeschool – onderzocht hoe de gymles het beweeg- en zitgedrag van basisschoolkinderen beïnvloedt. Haar proefschrift is een praktische leidraad voor leerkrachten om kinderen met meer plezier te laten bewegen.

door
foto eigen foto Anoek Adank

Niet iedereen loopt even warm voor schoolgym. Spanning rond het groepjes kiezen – hopelijk blijf je deze keer niet als laatste over –, moeite met meekomen in een tikspel of het zoveelste potje softbal.

Anoek Adank hoort zelf niet bij die groep. Als actieve sportfanaat kijkt de TU/e-onderzoeker met plezier terug op de lessen lichamelijke opvoeding (LO) tijdens haar eigen basisschooltijd. 

“Het scheelt als je zelf eigenlijk alles qua sport leuk vindt, en een fijne groep vrij sportieve klasgenoten om je heen hebt. Dan is het alleen maar fantastisch om samen te bewegen. Maar omdat kinderen verschillen in bijvoorbeeld vaardigheden, interesses en zelfvertrouwen, is plezier in de gymles niet voor ieder kind vanzelfsprekend.”

Leven lang bewegen

Nadat ze jarenlang zelf als docent LO in de gymzaal praktijkervaring had opgedaan, wilde Adank in bredere zin de gymlessen in het onderwijs verbeteren om kinderen met meer plezier te laten gymmen, vertelt ze enthousiast. 

“Want dat plezier nemen ze vanuit de gymles mee naar buiten en vormt de basis van een leven lang bewegen. Dat gun je ieder kind.” 

Sindsdien werkt ze als docent en onderzoeker bij Fontys Sporthogeschool. Om zicht te krijgen op het beweeggedrag van basisschoolkinderen en welke aspecten van een gymles daar effect op hebben, hengelde Adank in 2017 de Promotiebeurs voor leraren binnen en begon ze op de TU/e met een promotietraject naast haar baan. 

Binnen de vakgroep ‘Design and Analysis of Intelligent Systems for Vitality and Leisure Time Sports’ van Steven Vos startte ze de studie Stimuleren van een Actieve Leefstijl door Top gymOnderwijs (SALTO). Vos is behalve TU/e-hoogleraar bij Industrial Design ook als hoofd Onderzoek werkzaam bij Fontys Sporthogeschool. 

Het verschijnen van Adanks proefschrift – een praktische leidraad voor leerkrachten om de gymles te verbeteren en ‘betekenisvol’ te maken – markeert het einde van het SALTO-onderzoek. Tegelijkertijd ziet de onderzoekster deze afsluiting vooral als een nieuw startpunt: een aanzet tot verandering in het bewegingsonderwijs.

Zittende generatie

Want dat er iets aan het beweeggedrag van kinderen moet gebeuren is meer dan duidelijk, benadrukt ze gedreven. Al jaren is bekend dat kinderen te weinig bewegen, maar uit Adanks laatste studie rollen wel zeer verontrustende cijfers.

“We zien dat 40 procent van de basisschoolkinderen de beweegnorm niet haalt. En die is met zestig minuten matige inspanning per dag toch niet buitenproportioneel te noemen, zeker wanneer je bedenkt dat buitenspelen en gymlessen meetellen.”

Daar komt veel stilzitten bij. “Uit onze studies komt naar voren dat een kind op de basisschool dagelijks gemiddeld tussen de zeven en negen uur stilzit, van de dertien wakkere uren. Dat heeft een enorme impact op het kind van nu, maar zeker ook op latere leeftijd. Niet voor niets hoor je steeds vaker dat we ons zitgedrag flink moeten beperken.”

Bal het veld ingooien

Juist de gymles kan volgens Adank een belangrijke rol spelen in het ontwikkelen van een actieve leefstijl. “Een gymles is meer dan een bal het veld ingooien en een uur later affluiten. Maar op welke manier meer? Wat maakt dat een kind plezier heeft in de gymles? Wat vraagt dat van de leerkracht?”

En dus ging ze terug de gymzaal in. Om te observeren, maar vooral ook om basisschoolleerlingen in gemêleerde groepen te bevragen over hun gymles. 

“Kinderen zijn heel goed in staat om aan te geven wat ze nodig hebben in een gymles en wat ze missen in hun huidige lessen. We zien veel leerkrachten stoeien met de opzet van hun gymles. Het is ook niet zo gemakkelijk: wat voor het ene kind werkt, hoeft niet automatisch voor het andere te werken.” 

Bovendien zag ze grote verschillen tussen de organisatie en vormgeving van de gymlessen. Zo wordt op ongeveer driekwart van de Nederlandse basisscholen de gymles gegeven door een vakleerkracht. 

In het zuiden van Nederland zag Adank tijdens haar onderzoek vooral een combinatie: één les door een vakleerkracht en een tweede uur door de eigen groepsleerkracht.

Lesverrijkers

Geen kind en gymles hetzelfde, toch kon Adank uit haar onderzoeken een lijst opstellen met maar liefst 32 punten waarmee een leerkracht kan bijsturen naar meer gymplezier. Voor het praktijkgemak bracht ze deze terug naar tien dimensies.

In elke gymles kan een leerkracht deze tien dimensies gebruiken om een rijkere, leerzame, positieve context te bieden, legt Adank uit. Kan ze voorbeelden geven van zulke lesverrijkers? 

“Neem het groeperen. Kinderen vinden het heel belangrijk dat een leerkracht uitlegt waarom er een bepaalde indeling gemaakt wordt – bijvoorbeeld op motorisch niveau of vanwege de competitie een keer de jongens en meiden uit elkaar. Met wie je in een groepje zit, bepaalt het spelplezier. Door kort uit te leggen waarom, gaat iedereen positiever van start.”

Ook op ander vlak is uitleggen belangrijk, onderstreept Adank. “In onze vraaggesprekken hoorden we vaak terug dat kinderen graag samen bewegen en op niveau van elkaar willen leren, maar ook graag zelf kunnen kiezen.” 

“Bijvoorbeeld met een aangepaste regel in een tikspel, of moeilijkheidsniveau in een balanceerparcours. Als leerkracht kun je gerichte opdrachten geven, waarbij je duidelijk aangeeft wat het doel ervan is.”

Binnen die kaders mogen kinderen vervolgens zelf ontdekken. Dat vraagt soms om leren loslaten. “Een gymzaal is een dynamische omgeving. Daardoor willen leraren vaak extra controle houden, terwijl kinderen juist behoefte hebben aan een vrijere hand.”

Een kant-en-klare gymles bestaat volgens Adank dan ook niet. De sleutel ligt bij het (er)kennen van de behoeften van de groep.

“Dertig jaar voor de klas betekent niet automatisch dat je alles weet. Het is essentieel dat leerkrachten openstaan voor verandering. Wees je bewust van de verschillen in je groep, kijk wat kinderen nodig hebben. Uiteindelijk geef je een gymles voor hen, niet voor jezelf. Dat is het startpunt voor een betere bewegingsles.”

Kindervragen

Omdat de stem van leerlingen in het bewegingsonderwijs nog onvoldoende wordt gehoord, onderzocht Adank hoe technologie leerkrachten kan ondersteunen bij gestructureerde reflectie.  

Samen met leerkrachten en basisschoolkinderen ontwikkelde ze vervolgens een feedbacktool en een online reflectietool om de behoeften van leerlingen laagdrempelig in kaart te brengen. 

“Met na afloop van elke les vragen of de gymles leuk was en dan een synchroon ‘ja’ terughoren, kom je er niet. Dankzij onze tool kunnen leraren vragen stellen die er voor kinderen echt toedoen, met de ‘Tien’ als leidraad. Bijvoorbeeld of het groeperen prettig verloopt, of ze voldoende worden uitgedaagd en of ze kunnen leren in de les.”

Leerkrachten kunnen de vragen aanpassen aan hun eigen groep. De reflectietool helpt leerkrachten daarna bij het stapsgewijs reflecteren. Op testscholen bleek volgens Adank dat drie evaluatiemomenten per jaar echt verschil kunnen maken. “Kinderen voelen zich gezien en leerkrachten leren de groep beter kennen, waardoor ze gerichter hun lessen kunnen verbeteren.”

Adank hoopt deze nieuwe manier van evalueren en reflecteren door te voeren bij de volgende lichting gymleraren, die ze mede opleidt. “Via stages moet dit snel gewoon worden op basisscholen. Blije koppies na afloop van een gymles zijn al een goede start, maar we hopen echt dat we kinderen weer in beweging kunnen krijgen.”  

Anoek Adank verdedigt op woensdag 30 september haar proefschrift aan de faculteit Industrial Design.

PhD in the Picture

Wat zien we op je proefschriftkaft?

“Een groep kinderen met hun gymlerares, als één team. Dat symboliseert de boodschap die ik wil meegeven: we maken samen het bewegingsonderwijs en kijken samen wat we nodig hebben.”

Je bent op een verjaardagsfeestje. Hoe leg je in één zin uit wat je onderzoekt? 

“Hoe leerkrachten het plezier van kinderen in gym kunnen bevorderen en hoe technologie hen daarin kan ondersteunen en het lesgeven kan verbeteren. Plezier is een lastige term, zeker in gymverband. Dat is al genoeg voer voor discussies.”

Hoe blaas je naast je onderzoek stoom af?

“Met stip op een: actief bezig zijn! Lekker hardlopen bij de atletiekvereniging, of het bos in voor een lange wandeling met een vriendin. Ook ik heb de afgelopen jaren minder bewogen dan ik zou willen, daar komt nu hopelijk weer verandering in.”

Welke tip had je als beginnende PhD-kandidaat willen krijgen? 

“Ik vond het lastig om ‘nee’ te zeggen, wat zeker bij een promotietraject naast je gewone baan niet altijd even makkelijk is. Maar om focus te houden is het belangrijk om je werk af te bakenen. Durf dus ‘nee’ te zeggen.”

Wat is je volgende hoofdstuk?

“Ik blijf werkzaam als docent-onderzoeker bij Fontys Sporthogeschool en wil – gemotiveerd door de resultaten van mijn promotieonderzoek – echt impact proberen te maken op het bewegingsonderwijs in de praktijk. Daarvoor moeten we in de opleiding flink aan de bak. Het zijn kleine stapjes die kinderen uiteindelijk in beweging moeten krijgen.”

Deel dit artikel