Defensiegerelateerd onderzoek
Als zorg, onderwijs en bedrijfsleven hun voordeel mogen doen met wetenschappelijke innovaties, dan ook defensie, beargumenteert Christine Boshuijzen-van Burken. Ze adviseert onderzoekers wel om een oog te houden op Artikel 36 van de Geneefse Conventies.
Wat hebben Mohsen Fakhrizadeh en Damien Ernst met elkaar gemeen? Fakhrizadeh was een Iraanse atoomwetenschapper die in 2020 een aanslag met zijn leven moest bekopen, omdat zijn expertise direct ten gunste van het vermeende Iraanse defensie-atoomprogramma kwam. Ernst is een Belgische computergeleerde die vorige maand tijdens een college bekogeld werd met taarten, omdat zijn werk ten gunste zou komen van de defensie-industrie.
In het licht van deze casussen begrijp ik goed dat wetenschappers zich wel drie keer bedenken voordat ze met een defensiegerelateerde partij in zee gaan. Voor je het weet, heb je een taart in je gezicht – of erger.
Los van veiligheidsoverwegingen is er een diepere vraag die gesteld moet worden: wat is de verhouding tussen wetenschap en defensie, of sluiten die elkaar per definitie uit? Zelf ben ik academicus aan de TU/e alsook reservist bij Defensie.
Ik ben ervan overtuigd dat de manier waarop wij in Nederland in relatieve vrijheid wetenschappelijk onderzoek kunnen doen, te danken is aan onder andere defensie. We genieten zowel academische vrijheid voor wat de inhoud van ons onderzoek betreft, als relatieve ‘bewegingsvrijheid’ om onderzoek te doen met personen of instanties waarvan wij denken dat ze bijdragen aan het verdiepen of verbreden van kennis.
Waren we aan de andere kant van de Berlijnse muur onder het communisme beland, of onder een totalitair regime gebleven, dan hadden we geen van deze vrijheden genoten. ‘Beschermen wat ons dierbaar is’, is de slogan van de Nederlandse defensie, en daar hoort academische vrijheid bij.
Er is dus een afhankelijkheidsrelatie van de academie naar defensie toe, maar die is er ook andersom. Behalve als we zuiver pacifisme omarmen (wat ik een schitterend ideaal vind, maar waarbij ik machteloos zou staan in gevallen van diep en levensbedreigend onrecht), heeft een militaire organisatie bestaansrecht en dus middelen tot vechten nodig.
Net zo goed als onderwijs, zorginstellingen en ondernemingen de resultaten van wetenschappelijk onderzoek mogen gebruiken ten dienste van hun praktijk, zo ook defensie. Tenzij men meent dat het militaire apparaat geen bestaansrecht heeft (zoals in het geval van zuiver pacifisme), mag defensie middelen beschikbaar stellen voor het doen van wetenschappelijk onderzoek waar ze op dat moment behoefte aan heeft, net zoals andere praktijken (medische praktijk, bedrijfsleven, ngo’s) dat doen. Daar is geen inherent bezwaar tegen.
Er is pas een probleem als defensie zich met de wetenschappelijke inhoud gaat bemoeien, maar dat probleem bestaat net zo goed bij door het bedrijfsleven gefinancierde projecten. Onderzoekers die werken aan defensiegerelateerde onderzoeksprojecten, maar ook betrokken defensiemedewerkers, moeten zich goed bewust zijn van het bewaken van academische vrijheid. Dat komt uiteindelijk niet alleen de wetenschap, maar ook de defensieorganisatie ten goede.
Defensiegerelateerd onderzoek waarbij academische vrijheid ondergeschikt gemaakt kan worden, moet ondergebracht worden bij rijkskennisinstituten (zoals TNO, NLR, RIVM en MARIN).
Ten laatste kunnen er zorgen zijn bij wetenschappers over de toepassingen van hun wetenschappelijk werk. Deze groep is niet in principe tegen defensieonderzoek, ziet defensie ook graag ingrijpen zodra er een zwerm gewapende drones richting de High Tech Campus zou vliegen, en maakt dankbaar gebruik van bescherming tegen statelijk geïnitieerde cyberaanvallen die eropuit zijn hun unieke wetenschappelijk datasets te corrumperen.
Tegen die groep zou ik willen zeggen: ik deel je zorgen. En ik wil je aanmoedigen om waar mogelijk te onderzoeken waar je kennis precies terechtkomt, wie ermee verder gaat en hoe investeringslijnen lopen. Jullie kunnen vaak redelijk inschatten wat een logische toepassing of een vervolgstap van kennis is, en wie je liever op afstand houdt, omdat je twijfelt aan de bedoelingen van een partij.
Naast een aanmoediging ook een geruststelling: Nederland heeft diverse internationale conventies getekend die gaan over wat wel en niet is toegestaan in tijden van oorlog. Artikel 36 van de Geneefse Conventies (Add. Protocol 1) stelt dat landen niet vrij zijn in het kiezen van hun militaire middelen of methodes.
Er zijn strenge regels waaraan landen zich moeten houden, en juristen zien erop toe dat, voordat defensie een technologie aanschaft, deze getoetst wordt aan de beginselen van de conventie. In de praktijk betekent dit dat onderzocht wordt of middels de technologie, mits gebruikt zoals beoogd, discriminatie tussen strijder en niet-strijder plaats kan vinden. Landmijnen kunnen dit niet en zijn dan ook verboden in Nederland.
Deze geruststelling gaat alleen op, als men erop vertrouwt dat defensie zich hieraan houdt. Het kan daarom geen kwaad om in onderzoeksaanvragen ‘Artikel 36’ in gedachten te brengen bij mede-aanvragers. Is het niet vanwege morele overtuigingen, dan misschien om pragmatische redenen: defensie kan je technologie niet aanschaffen als deze niet door een Artikel 36-review komt.
Studenten die geïnteresseerd zijn in de relatie tussen technologie, oorlog en vrede, nodigt Christine Boshuijzen-van Burken uit in Q3 het keuzevak Ethics of Technology in War and Peace (0LM200) te volgen, dat onder andere de principes van de rechtvaardige oorlog behandelt.
Boshuijzen-van Burken is leerstoelhouder Christelijke filosofie aan de TU/e. Haar hoofdaanstelling is aan de Nederlandse Defensie Academie, waar zij onderzoek doet naar militaire ethiek. Boshuijzen schrijft deze opinie op persoonlijke titel.
Foto | Leoni Andriessen

Discussie